Categoriearchief: Blog

Democratische legitimiteit van de euro

Democratische legitimiteit van de euro

[Dit artikel komt van njb.nl en is geschreven door Jaap Hoeksma op 18 juni 2015]

Als Minister van Financiën en voorzitter van de Eurogroep maakt Jeroen Dijsselbloem zich terecht zorgen over de democratische legitimiteit van de euro. Het rapport van de vier voorzitters over een beter bestuur voor de eurozone dat deze maand in Den Haag en Brussel besproken zal worden, kiest echter een invalshoek die onvoldoende zicht op een heldere analyse van de problematiek biedt.

Het rapport is in februari 2015 opgesteld door de voorzitter van de Europese Commissie Juncker in samenwerking met de voorzitter van de Europese Raad Tusk, de voorzitter van de ECB Draghi en Dijsselbloem als voorzitter van de Eurogroep. Het wordt in politieke kringen aangeduid als the Four Presidents’ Report en begint met een onderzoek naar de aard van de Europese en Monetaire Unie. Volgens de voorzitters is de euro meer dan een munt. Het is naar hun mening ook een politiek project, waarin de deelnemende landen zich met elkaar hebben verbonden in een ‘community of destiny’. Om deze bestemmingsgemeenschap in stand te houden moeten de lidstaten solidair zijn in tijden van crisis en dient elk van hen de samen afgesproken regels te respecteren.

Deze benadering is ontoereikend om het vraagstuk van de democratische legitimiteit van de euro onder ogen te zien. De Economische en Monetaire Unie vormt namelijk onderdeel van de EU. Lidstaten van de EU kunnen, als zij aan de gestelde voorwaarden voldoen, toetreden tot de EMU, maar ze kunnen geen lid van de EMU worden zonder over het lidmaatschap van de EU te beschikken. Wie iets zinnigs over de aard van de EMU te berde wil brengen, moet zich dus eerst buigen over de vraag wat de EU is. Een debat over de aard van de EMU vooronderstelt, anders gezegd, een discussie over het karakter van de Europese Unie zelf.

Politici hebben het debat over de aard van de Unie lange tijd vermeden, omdat het vraagstuk onoplosbaar zou zijn. Het proces van Europese integratie moest volgens de heersende leer uitmonden in de vorming van een soevereine Staat Europa of in een Europa van soevereine Staten. De werkelijkheid bleek weerbarstiger dan de leer. De huidige EU is geen staat en vormt evenmin een unie van staten, maar ontwikkelt zich van een gemeenschappelijke markt naar een gemeenschappelijke democratie. In deze visie kan de euro als de monetaire afronding van de gemeenschappelijke markt worden bezien.

Democratische legitimiteit berust bij de burgers. De burgers zijn er niet omwille van de EU en de euro, maar het is vanzelfsprekend precies andersom. Vanuit het perspectief van de burgers ligt het voor de hand dat, als twee of meer democratische staten besluiten om de uitoefening van soevereiniteit op een aantal terreinen met elkaar te delen ten einde gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken, het samenwerkingsverband dat zij daarvoor oprichten, ook democratisch moet zijn. De winst van het Verdrag van Lissabon uit 2007 is dat het de EU inricht als een democratie zonder er een staat van te maken. EU-burgers kunnen zowel deelnemen aan de nationale democratie van hun land als aan de gemeenschappelijke democratie van de Unie.

Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon kan de EU in heldere termen worden omschreven als een Unie van burgers en lidstaten die functioneert als een gemeenschappelijke democratie. Deze constructie van de EU biedt het raamwerk waarbinnen de euro in de lidstaten van de EMU de democratische legitimiteit kan verwerven die een stabiele munt nodig heeft. De vier voorzitters hoeven de EU dus niet opnieuw uit te vinden, maar ze kunnen de bestaande constructie gebruiken om het economisch bestuur van de eurozone te versterken en de democratische legitimiteit van de euro te bevorderen.

Medische hulpmiddelen en de prijs van een bijzonder regime

Medische hulpmiddelen en de prijs van een bijzonder regime

[Dit artikel is afkomstig van njb.nl en geschreven door Ton Hartlief op 22 juni 2015]

Eind mei zijn minister Schippers opnieuw Kamervragen gesteld over medische hulpmiddelen.1 Uit onderzoek zou blijken dat gezondheidsschade kan optreden bij vroeggeborenen en kinderen op de langdurige intensive care en bij dialysepatiënten, omdat plastic medische hulpmiddelen hormoonverstorende stoffen lekken. Ook in de wereld van het medische aansprakelijkheidsrecht zijn gebrekkige hulpmiddelen een hot item, onder meer door de geruchtmakende PIP-implantaten-affaire.

Een actuele vraag is of arts en ziekenhuis wanneer zij aansprakelijk gesteld worden vanwege een gebrekkig hulpmiddel de claimende patiënten kunnen verwijzen naar de producent. Op zich lijkt art. 6:77 BW uit de algemene wanprestatieregeling zich daartegen te verzetten: deze bepaling maakt de debiteur (dat zouden arts of ziekenhuis zijn) die gebruik maakt van een ongeschikte zaak aansprakelijk, ook wanneer hem geen verwijt kan worden gemaakt. Wie het middel kiest, moet op de blaren zitten als dat verkeerd uitpakt. Zo valt ook te verklaren dat de crediteur die juist bepaalde welk hulpmiddel de debiteur diende te gebruiken bot vangt. Hier biedt het slot van art. 6:77 uitkomst: toerekening is aangewezen, tenzij datonredelijk is. Deze risico-regel past bij de profijtgedachte en voorkomt dat gelaedeerden van kastje (wederpartij) naar de muur (producent) worden gestuurd. Maar geldt deze regel onverkort in het ‘medische’? Hoewel de wetgever niet, ook niet in de latere afdeling 7.7.5 (geneeskundige behandelingsovereenkomst), in een afwijkend regime heeft voorzien, heeft de regering bij de totstandkoming van art. 6:77 wel aangegeven dat het slot de ruimte biedt om bij een productiefout te beslissen dat toerekening aan arts of ziekenhuis onredelijk is. De patiënt kan dan dus alleen de producent aanspreken (art. 6:185). Een zelfde opmerking is gemaakt tijdens de totstandkoming van afd. 7.7.5. Deze uitlatingen zijn opgevat alsof in het ‘medische’ een andere hoofdregel zou gelden: ‘toerekening aan arts of ziekenhuis bij een door een productiefout gebrekkig hulpmiddel is onredelijk’.

Hoewel de houdbaarheid van deze benadering in de doctrine werd betwijfeld, was het wachten op rechtspraak. Interessant is de zaak van een patiënt die ondanks een onrustband uit zijn bed viel en een bekkenbreuk opliep, omdat hier gewoon de hoofdregel van art. 6:77 werd toegepast toen een van de ‘slotjes’ defect bleek. Van de stelling van het ziekenhuis (onder verwijzing naar genoemde regeringsuitlatingen) dat toerekening onredelijk zou zijn, was de rechtbank niet onder de indruk: de wetgever heeft inderdaad ruimte gelaten voor een uitzondering in het ‘medische’, maar tegelijkertijd ook voor aanpassing aan nieuwe maatschappelijke opvattingen. Het standpunt van het ziekenhuis zou achterhaald zijn. Verder was van belang dat het ziekenhuis de banden had ingekocht, beter dan de patiënt in staat is om onderzoek naar het gebrek te doen en een claim tegen de producent te onderbouwen en zich tegen aansprakelijkheid kan verzekeren. Er is daarom geen aanleiding voor een bijzondere positie van het ziekenhuis ten opzichte van andere opdrachtnemers.2 Dat blijkt ook in een recente PIP-implantaten-zaak. Deze implantaten bleken gevuld met industriële siliconengel in plaats van gel waarvoor toelating op de markt was verkregen. Om gezondheidsrisico’s te vermijden zijn op kosten van zorgverzekeraars zeer veel PIP-implantaten verwijderd. De fabrikanten gingen failliet in 2010. Chirurgen en ziekenhuizen kenden hun malafide praktijken niet. Is desondanks aansprakelijkheid ex art. 6:74 jo. 6:77 aan de orde? Het Hof wijst ook hier het beroep op genoemde parlementaire geschiedenis (bij productiefout is toerekening aan arts of ziekenhuis onredelijk), zij het ‘voorshands’, af,3 niet alleen omdat de producent frauduleus heeft gehandeld, maar ook omdat deze failliet is en de kliniek het bewuste hulpmiddel heeft gekozen.4 Deze zaak heeft stof doen opwaaien, wellicht ook omdat zorgverzekeraars nu overwegen de kosten van verwijdering van PIP-implantaten op de ziekenhuizen te verhalen.

Het medisch aansprakelijkheidsrecht lijkt inmiddels in de pas te lopen met het algemeen deel van ons verbintenissenrecht; in principe wordt de hoofdregel van art. 6:77 toegepast5 Dat komt patiënten goed uit: de deskundigheid zit bij arts en ziekenhuis en deze kiezen in de regel de hulpmiddelen. Tegelijkertijd klinken bezorgde geluiden. De ontwikkeling heeft gevolgen, zeker wanneer het arts of ziekenhuis niet lukt regres te nemen op de producent. Is dat in een tijd waarin medische hulpmiddelen regelmatig ook minder positief het nieuws halen, voldoende reden om voor het ‘medische’ toch een bijzonder regime aan te nemen? Nu de destijds gedane regeringsuitlatingen zijn verbleekt, komt het aan op argumenten. Het enkele feit dat het gaat om (verdere) stijging van de kosten van de gezondheidszorg lijkt onvoldoende. Dat is een weinig scherp gegeven dat bovendien bij iedere nieuwe ontwikkeling in het medisch aansprakelijkheidsrecht van stal gehaald kan worden. Maar er is meer. Zo kan de consumentkoper bij een productiegebrek inderdaad enkel de producent en niet de verkoper aanspreken (art. 7:24) juist omdat deze een ‘beknelde detaillist’ is: hij mag zich niet vrijtekenen in de relatie met de koper (art. 7:6) maar heeft te maken met ‘voorschakels’ die dat in de relatie met hem wél kunnen. Iets vergelijkbaars geldt vanwege het exoneratieverbod van art. 7:463 echter ook voor arts en ziekenhuis. Verder lijken patiënten bijvoorbeeld in Duitsland ook aangewezen op een claim tegen de producent; arts of ziekenhuis gaan in principe vrijuit bij een productiegebrek. En dan is er nog de twijfel over de vraag of het wel steeds arts en ziekenhuis (zullen) zijn die de hulpmiddelen kiezen. Wat te denken van de (groeiende) invloed van zorgverzekeraars? Het is niet niks, maar legt het voldoende gewicht in de schaal tegenover de consequenties voor claimanten? Zij zouden nul op het rekest krijgen bij hun meest voor de hand liggende tegenpartij en hun heil moeten zoeken bij de producent met alle consequenties (insolventierisico bijv.) van dien. Waarom zouden juist de getroffenen de prijs van een bijzonder regime betalen?

 

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2015/1187, afl. 25

 

Bron afbeelding: Laura Bernhardt

 

1. 2015Z09551; vragen van Pia Dijkstra (D66) ingezonden 27 mei 2015.

2. Rb. Breda NJF 2011, 225.

3. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich hierover bij akte uit te laten.

4. Hof Den Bosch JA 2015, 7.

5. Positief is Timmermans, AV&S 2015, p. 26 e.v., bezorgd Van Beurden, PIV-bulletin 2015/2.