ECLI:NL:CBB:2023:331, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-06-2023, 22/1040, 22/1043, 22/1073 t/m 22/1081 — CBB:2023:331
Samenvatting
In de zaken over de evenementen vόόr 25 september 2021: Voor evenementen tussen 10 juli en 25 september 2021 volgt uit de toen geldende TRM dat evenementen alleen mogen worden georganiseerd als de organisator er zorg voor draagt dat deelnemers geplaceerd worden door het toewijzen van een vaste zitplaats. Het College overweegt dat de aard van het evenement en de locatie van het evenement van belang zijn bij het aanmerken van een evenement als geplaceerd of ongeplaceerd. De aard van de door de ondernemer georganiseerde evenementen van vόόr 25 september 2021 maakt dat er geen sprake was van evenementen waarbij de deelnemers worden geplaceerd door het toewijzen van een zitplaats. Dit betekent dat de minister in zijn besluitvorming er ten onrechte van is uitgegaan dat de door de ondernemer georganiseerde evenementen van vóór 25 september 2021 geplaceerde evenementen waren. Op de evenementenlocatie zijn vaste tribunebanken aanwezig die rondom een vast podium zijn opgesteld. Weliswaar zijn op de evenementenlocatie dus zitplaatsen aanwezig, maar voor de door de ondernemer georganiseerde evenementen werden geen concrete zitplaatsen toegewezen en konden geen specifieke zitplaatsen worden gereserveerd. Ook werd het aantal te verkopen kaarten voor de door de ondernemer georganiseerde evenementen niet bepaald aan de hand van de beschikbare zitplaatsen. Voor deze evenementen is het gebruikelijk dat een deel van het publiek staat. Alle te verkopen kaartjes zijn hetzelfde en het publiek kan bij binnenkomst zelf bepalen waar ze gaan staan of zitten. Aannemelijk is dat de door de ondernemer georganiseerde evenementen ook niet te organiseren waren als geplaceerde evenementen, omdat het concerten betreft met populaire muziek, zonder toegewezen zitplaats en met uitbundig publiek. De beroepen in deze zaken zijn gegrond. Het College vernietigt de bestreden besluiten en herroept de intrekkingsbesluiten. In de zaken over de evenementen op 25 en 26 september 2021: De minister was bevoegd de subsidies in te trekken op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. In dit geval is de subsidiabele activiteit dat een evenement niet heeft plaatsgevonden, omdat het moest worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de TRSEC. De subsidiabele activiteit heeft in dit geval niet plaatsgevonden, omdat de ondernemer de door haar georganiseerde evenementen op 25 en 26 september 2021 niet vanwege een voor die evenementen geldend evenementenverbod heeft geannuleerd. Vanaf 25 september 2021 is de placeringsplicht voor evenementen namelijk komen te vervallen. De minister mocht ook van deze intrekkingsbevoegdheid gebruik maken. Het intrekken van de subsidie wanneer niet aan de voorwaarde van artikel 3, eerste lid, van de TRSEC wordt voldaan, is een geschikt en noodzakelijk middel om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de organisatoren waar de regeling voor bedoeld is. Het intrekkingsbesluit is ook evenwichtig. De beroepen in deze zaken zijn ongegrond.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2026:773, Rechtbank Rotterdam, 03-02-2026, ROT 25/9956
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBROT:2026:774, Rechtbank Rotterdam, 03-02-2026, ROT 26/376
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2026:407, Raad van State, 23-01-2026, 202504732/2/R4
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:366, Raad van State, 21-01-2026, 202304593/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 juni 2023
Rechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
22/1040, 22/1043, 22/1073 t/m 22/1081
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2023:331