Rechter halveert boete boer om vergissing wachttijd medicijn — CBB:2026:134
bestuurlijke boete / diergeneesmiddelen / wachttijdovertreding
Eiser / verzoeker
Maatschap [naam 1] en [naam 2]
Verweerder / gedaagde
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Beide hoger beroepen worden verworpen; de boete van €2.500 (halvering van de oorspronkelijke €5.000) blijft in stand.
- Overtreding van de wachttijdregels voor diergeneesmiddelen (art. 5.3 lid 1 sub c Regeling diergeneesmiddelen 2022) staat vast, maar was het gevolg van een aantoonbare vergissing zonder opzet.
- Artikel 5:46 lid 3 Awb biedt ruimte om een wettelijk vastgestelde standaardboete te matigen wegens bijzondere omstandigheden, waaronder ernst, verwijtbaarheid en de context van de overtreding.
- Het volksgezondheidsrisico heeft zich niet verwezenlijkt doordat de veehouder wél de correcte behandeldatum vermeldde, waardoor de NVWA de fout tijdig kon onderscheppen en het karkas werd afgekeurd.
- Halvering van de boete van €5.000 naar €2.500 is evenredig; volledige kwijtschelding is niet gerechtvaardigd gezien het belang van wachttijdnaleving voor de volksgezondheid.
- Zowel het hoger beroep van de maatschap (verdere matiging of verval boete) als het incidenteel hoger beroep van de minister (herstel volledige boete) worden verworpen.
Samenvatting
Een melkveemaatschap uit Nederland stond voor de rechter nadat een fout op een formulier leidde tot een boete van vijfduizend euro. De zaak draaide om een noodslachting van een rund in mei 2022. Bij zo'n slachting moet de veehouder op een zogenoemd VKI-formulier aangeven of het dier recent medicijnen heeft gekregen en hoe lang de wachttijd is voordat het vlees veilig gegeten kan worden.
De veehouder had het diergeneesmiddel Novem toegediend. Op het etiket van dat middel staan twee wachttijden: vijf dagen voor varkens en vijftien dagen voor runderen. Bij het invullen van het formulier las hij abusievelijk de varkenstijd af in plaats van de rundertijd. Daardoor stond op het formulier een wachttijd van vijf dagen, terwijl het rund nog maar tien dagen na de laatste behandeling naar de slacht werd gebracht — vijf dagen te vroeg.
Een toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) merkte de discrepantie op, juist omdat de veehouder wél de correcte behandeldatum en het juiste middel op het formulier had vermeld. Dankzij die correcte informatie werd het karkas afgekeurd en afgevoerd. Het vlees heeft de voedselketen dus nooit bereikt, zodat er geen gezondheidsrisico voor consumenten is ontstaan.
De NVWA constateerde toch een overtreding van de regels rond diergeneesmiddelen. De minister van Landbouw legde vervolgens een standaardboete op van vijfduizend euro. De maatschap maakte bezwaar, maar dat werd afgewezen. Bij de rechtbank Rotterdam werd de boete wél gehalveerd naar 2.500 euro, omdat de rechtbank vond dat bijzondere omstandigheden matiging rechtvaardigden: het ging om een eenmalige vergissing van een veehouder met een onberispelijk trackrecord, het risico voor de volksgezondheid had zich niet verwezenlijkt en de maatschap droeg ook al de financiële schade van de destructie van het dier en kortingen op subsidies.
Daartegen stelden zowel de maatschap als de minister hoger beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De maatschap vond dat de boete helemaal moest vervallen of nog verder omlaag moest — een waarschuwing had volstaan. De minister betoogde juist dat de volledige vijfduizend euro gerechtvaardigd was, omdat de wetgever die standaardboete bewust heeft vastgesteld ter bescherming van de volksgezondheid.
Het College beoordeelde beide beroepen gezamenlijk vanwege hun nauwe samenhang. De centrale vraag was of de door de rechtbank vastgestelde boete van 2.500 euro de juiste balans trof tussen de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de bijzondere omstandigheden van dit geval.
Het College bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De halvering van de boete naar 2.500 euro bleef in stand: de fout was een aantoonbare vergissing zonder opzet, het volksgezondheidsrisico had zich niet verwezenlijkt dankzij de eigen correcte registratie van de veehouder, en de overige financiële gevolgen voor de maatschap waren al aanzienlijk. Tegelijkertijd achtte het College volledige kwijtschelding of een louter symbolische maatregel niet gerechtvaardigd, omdat het niet in acht nemen van wachttijden een serieuze overtreding blijft die de wetgever bewust zwaar heeft gesanctioneerd.
Betrokken advocaten
mr. F. Peters van Neijenhof
verweerder
mr. E.M.M. Geerligs
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CBB:2026:24, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-01-2026, 23/848
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:14946, Rechtbank Rotterdam, 23-12-2025, ROT 21/1550
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:14945, Rechtbank Rotterdam, 23-12-2025, ROT 22/5325
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ECLI:NL:CBB:2025:641, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 02-12-2025, 22/647
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Rechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
24/548 en 24/898
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CBB:2026:134