Terugvordering pgb-voorschotten zonder verantwoording blijkt rechtmatig — CRVB:2010:BO4296
terugvordering persoonsgebonden budget (pgb) / AWBZ-subsidie
Eiser / verzoeker
appellante (vrouw wonende te [woonplaats])
Verweerder / gedaagde
Achmea Zorgkantoor N.V.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de terugvordering van de pgb-voorschotten door het zorgkantoor rechtmatig was.
- Terugvordering pgb-voorschotten 2005 en 2006 wegens ontbrekende verantwoording over besteding
- Cognitieve beperkingen van appellante vormen geen rechtvaardiging, omdat zij hulp van derden had kunnen inschakelen voor de administratie
- Neuropsychologisch rapport uit 2009 kon geen onvermogen aantonen voor de jaren 2005-2006
- Pgb was verleend voor huishoudelijke hulp, niet voor ondersteunende begeleiding bij cognitieve problemen
Samenvatting
Een vrouw uit een niet nader genoemde woonplaats verloor haar hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep over de terugvordering van haar persoonsgebonden budget (pgb) over de jaren 2005 en 2006. Het zorgkantoor Achmea had de uitbetaalde voorschotten teruggevorderd omdat zij nooit verantwoording had afgelegd over de besteding ervan.
De vrouw had in die jaren een pgb ontvangen voor hulp bij het huishouden vanwege een somatische aandoening. Omdat zij nooit aantoonde waaraan het geld was besteed, vorderde het zorgkantoor de bedragen terug. In bezwaar en later beroep bij de rechtbank 's-Hertogenbosch stelde de vrouw dat zij door medische beperkingen niet in staat was geweest de vereiste verantwoordingsformulieren in te dienen. De rechtbank verwierp dit argument in maart 2010 en ook in hoger beroep haalde het verweer het niet.
Centraal in de zaak stond een neuropsychologisch rapport uit april 2009, opgesteld door deskundigen van het Tilburgs Ambulatorium Neuropsychologie. Daarin werd vastgesteld dat de vrouw cognitieve beperkingen heeft, met name op het gebied van planning en overzicht. De vrouw betoogde dat dit rapport ook van toepassing was op haar toestand in 2005 en 2006, en dat de rechtbank het ten onrechte had genegeerd alleen omdat het later was opgesteld. Bovendien wees zij erop dat de late datum van het rapport te wijten was aan het zorgkantoor zelf, dat pas in 2009 een beslissing op haar bezwaar uit 2006 had genomen.
De Centrale Raad van Beroep veegde ook een ander centraal argument van tafel. De vrouw stelde dat het zorgkantoor had geweten van haar cognitieve problemen, omdat het pgb haar was verleend voor 'ondersteunende begeleiding'. De Raad stelde echter vast dat dit feitelijk onjuist was: de budgetten waren verleend voor uitsluitend huishoudelijke hulp vanwege een lichamelijke aandoening, niet voor begeleiding bij cognitieve problemen. Het zorgkantoor hoefde dus geen rekening te houden met eventuele cognitieve beperkingen.
Doorslaggevend voor de uitkomst was de feitelijke situatie in 2005 en 2006: de salarisadministratie voor haar hulpverleners werd aanvankelijk door de Sociale Verzekeringsbank gedaan op haar verzoek, en voor de eerste verantwoording had een van haar zorgverleners haar daadwerkelijk geholpen. Hieruit leidde de Raad af dat de vrouw wel degelijk in staat was — of moest worden geacht — om hulp van anderen in te schakelen voor de administratie en verantwoording. Zelfs als zij zelf cognitief niet in staat was de formulieren in te vullen, had zij iemand kunnen vragen dat voor haar te doen, zoals ook al eerder was gebeurd.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank volledig. De terugvordering door het zorgkantoor bleef in stand, en er was geen reden om de vrouw te compenseren in de proceskosten.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CRVB:2026:40, Centrale Raad van Beroep, 14-01-2026, 25/37 WMO15
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:26738, Rechtbank Den Haag, 19-12-2025, C/09/677701 / HA RK 24-671
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:22226, Rechtbank Den Haag, 25-11-2025, AWB 25/16722 en 39 andere zaaksnummers
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:22228, Rechtbank Den Haag, 25-11-2025, AWB 25/16723
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
3 november 2010
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
10-2523 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2010:BO4296