Juristi.nl
ECLI:NL:CRVB:2013:2924Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

Rechter: ongelijke reistijdregeling VWA-ambtenaren schendt gelijkheidsbeginsel — CRVB:2013:2924

ambtenarenrecht / reistijdregeling / gelijkheidsbeginsel

Eiser / verzoeker

Minister van Economische Zaken (appellant)

VS

Verweerder / gedaagde

Betrokkene, voormalig RVV/VWA-medewerker

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ongelijke reistijdregeling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat de betrokkene recht heeft op compensatie in verlofuren voor de periode 15 februari 2007 tot 1 januari 2012.

  • De reistijdregelingen van de VWA zijn beleidsregels, geen algemeen verbindende voorschriften, en kunnen daarom niet in rechte onaantastbaar worden.
  • Het onderscheid tussen voormalige RVV-medewerkers en overige VWA-medewerkers bij de aanmerking van reistijd als werktijd is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
  • Het feit dat nieuw ingestroomde medewerkers wél de gunstige regeling kregen, ontneemt elke rechtvaardiging voor de ongunstiger behandeling van voormalige RVV-medewerkers.
  • De betrokkene heeft recht op compensatie in verlofuren voor de periode 15 februari 2007 tot 1 januari 2012, op te nemen binnen vijf jaar.

Samenvatting

Na de fusie van de Keuringsdienst van Waren (KvW) en de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV) tot de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) in 2006, golden voor verschillende groepen medewerkers sterk uiteenlopende regels over reistijd. Medewerkers afkomstig van de KvW mochten hun volledige reistijd van huis naar inspectielocaties als werktijd aanmerken. Voormalige RVV-medewerkers, waaronder de betrokkene in deze zaak, moesten een deel van die reistijd als eigen tijd beschouwen — maximaal 30 minuten per enkele reis.

Dit verschil in behandeling was al vóór de fusie aanwezig, maar werd na de samenvoeging voortgezet en uitgebreid: ook nieuwe medewerkers die ná 1 januari 2006 bij de VWA in dienst traden, kregen de gunstige regeling. Alleen de voormalige RVV-medewerkers bleven achter met de ongunstiger variant. De betrokkene verzocht in 2010 om compensatie voor de uren die zij tussen 15 februari 2007 en 1 januari 2012 niet als werktijd had kunnen aanmerken. De Minister van Economische Zaken wees dit verzoek af.

De rechtbank Zwolle-Lelystad oordeelde in 2012 dat voor dit verschil in behandeling geen rechtvaardiging bestond en vernietigde het besluit van de minister. Met name woog de rechtbank mee dat nieuw ingestroomde medewerkers wél de gunstige regeling kregen, terwijl daarvoor geen duidelijke reden werd gegeven. De minister ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De minister voerde aan dat de betreffende regelingen algemeen verbindende voorschriften waren die inmiddels rechtens onaantastbaar waren geworden, zodat de betrokkene daartegen niet meer kon opkomen. De Centrale Raad verwierp dit betoog. Volgens de Raad gaat het om beleidsregels — niet om algemeen verbindende voorschriften — en die kunnen naar hun aard niet onaantastbaar worden. De minister kon dus wel degelijk worden aangesproken op de inhoud van zijn beleid.

Ook inhoudelijk volgde de Centrale Raad de redenering van de rechtbank. Van 1 januari 2006 tot 15 februari 2007 gold voor álle ambulante VWA-medewerkers dat de volledige reistijd als werktijd werd aangemerkt. Daarna viel de minister terug op de oude, uiteenlopende regelingen — maar niet voor iedereen. Juist omdat nieuwe medewerkers de gunstige regeling behielden, viel niet in te zien waarom voormalige RVV-medewerkers structureel slechter behandeld werden. Dit leverde strijd op met het gelijkheidsbeginsel.

De minister had subsidiair nog aangevoerd dat bij de compensatie rekening moest worden gehouden met de vaste rechtspraak over zogeheten duuraanspraken: daarbij geldt de datum van het verzoek als uitgangspunt voor de periode waarover compensatie wordt verleend. In het geval van de betrokkene zou dat neerkomen op 90,5 uur te compenseren reistijd.

De Centrale Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de ongelijke behandeling onrechtmatig was, en bekrachtigde daarmee de verplichting voor de minister om de betrokkene te compenseren voor de periode van 15 februari 2007 tot 1 januari 2012. De minister had ter uitvoering van de eerdere uitspraak al besluiten genomen waarbij de niet als werktijd aangemerkte reistijd werd gecompenseerd in de vorm van verlofuren, op te nemen binnen vijf jaar.

Betrokken advocaten

mr. A.C.M. van Vliet

appellant

Van Vliet Advocatuur & Mediation, ZEIST

mr. M.B. de Witte-van den Haak

appellant

mr. E. Wies

appellant

mr. G.M. Boerma

verweerder

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

13 december 2013

Zaaknummer

12-1953 AW

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:CRVB:2013:2924

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

CRVB:2026:336
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:333
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:330
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:340
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:281
Centrale Raad van Beroep·4 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht