Juristi.nl
ECLI:NL:CRVB:2020:2497Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

ECLI:NL:CRVB:2020:2497, Centrale Raad van Beroep, 15-10-2020, 19/1113 AW — CRVB:2020:2497

Samenvatting

Appellant heeft erkend dat hij de verweten gedragingen heeft begaan maar betwist dat sprake was van plichtsverzuim. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich heeft gehouden aan de regels die volgens hem waren afgesproken. De Raad volgt appellant hierin niet. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het hem duidelijk had kunnen en moeten zijn dat de regels anders waren dan hij dacht, dat hij zijn werk- en reistijd verkeerd registreerde, dat hij alleen de feitelijk gewerkte uren als werktijd mocht registreren, dat hij bij het eerder verlaten van keuringsstations verlofuren diende op te nemen en dat hij alleen de werkelijke reistijd tussen woonadres en werklocatie als werktijd mocht registreren. Dit stond beschreven in de Werktijdenregeling [organisatie] , de toelichting hierop, de Startbrochure [organisatie] , de Personeelsbrochure [organisatie] en de Handleiding tijdschrijven SPIN, waar in paragraaf 1.2 staat dat gewerkte uren worden geregistreerd op de tijdstippen dat deze feitelijk gewerkt zijn. De minister heeft de genoemde gedragingen daarom terecht aangemerkt als plichtsverzuim. De minister was bevoegd appellant hiervoor disciplinair te straffen. Zoals de Raad hiervoor heeft overwogen had het appellant duidelijk moeten zijn dat hij in strijd met de regels handelde. De Raad komt vervolgens toe aan de vraag of de minister appellant eerder had kunnen en moeten aanspreken op zijn foutieve wijze van registreren van werk- en reistijd. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Gelet op de overwegingen hiervoor kan ook niet worden gezegd dat alle omstandigheden samengenomen leiden tot het oordeel dat het onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de aard van het plichtsverzuim. Het betoog van appellant dat de verkregen gegevens uit Fleetlogic niet mogen worden gebruikt, nu daarbij in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is gehandeld, slaagt niet. Ten slotte is de Raad van oordeel dat ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

Betrokken advocaten

mr. E. Weijer

appellant

Zumpolle Advocaten, UTRECHT

mr. J.H. Buijn

appellant

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

15 oktober 2020

Zaaknummer

19/1113 AW

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:CRVB:2020:2497

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

CRVB:2026:336
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:333
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:330
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:340
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:281
Centrale Raad van Beroep·4 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht