Juristi.nl
ECLI:NL:CRVB:2021:909Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

ECLI:NL:CRVB:2021:909, Centrale Raad van Beroep, 22-04-2021, 20/1273 AW — CRVB:2021:909

Samenvatting

Het betoog van appellante dat het dossieronderzoek onzorgvuldig is omdat het is gebaseerd op niet dragende gronden slaagt niet. Met de rechtbank heeft ook de Raad de overtuiging gekregen dat appellante de haar verweten gedragingen heeft begaan. Nu het plichtsverzuim vaststaat was de korpschef bevoegd een disciplinaire straf op te leggen. Voor de beoordeling van de toerekenbaarheid van de aan appellante verweten gedragingen in de periode in geding (2014-2015) zijn de rapportages van Van der Meer en Hernandez-Dwarkasing van belang. Hoewel de psychiaters niet tot een eensluidende conclusie komen, komt naar het oordeel van de Raad uit beide rapportages voldoende inzichtelijk en ondersteund door de bevindingen naar voren dat de gedragingen appellante slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Nu sprake is van een verminderde mate van toerekening slaagt het hoger beroep van appellante. In het voorwaardelijk ingesteld incidenteel hoger beroep van de korpschef is de stelling aan de orde dat de bij de omschrijving van het plichtsverzuim genoemde periode een kennelijke verschrijving bevat, nu in het voornemen tot oplegging van het strafontslag expliciet ook gedragingen uit 2012 en 2013 zijn genoemd. Volgens de korpschef kunnen ook die gedragingen in (de beoordeling van) het ontslag worden betrokken. De Raad volgt de korpschef hierin niet. De conclusie is dan ook dat het incidenteel hoger beroep van de korpschef niet slaagt. Resteert de vraag of de straf van onvoorwaardelijk ontslag gezien de aard en ernst van het plichtsverzuim onevenredig is. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Nog afgezien van de verminderde mate van toerekening, is de Raad van oordeel, dat een onvoorwaardelijk ontslag in dit geval een te zware straf is. De Raad is van oordeel dat de korpschef aan de persoonlijke omstandigheden bij de zwaarte van de straf een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Nu de gedragingen appellante slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend is de Raad van oordeel dat ook een voorwaardelijk strafontslag nog een te zware straf is. De Raad ziet evenwel geen ruimte om uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting zelf in de zaak te voorzien omdat het aan de korpschef is om, met inachtneming van het voorgaande, een passende keuze te maken uit de andere mogelijkheden van bestraffing die artikel 77, eerste lid, van het Barp geeft. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en de korpschef opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Tegen de door de korpschef te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar kan slechts bij de Raad beroep worden ingesteld. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellante.

Betrokken advocaten

mr. R.J. Ruiter

appellant

Simons & Partners advocaten, MAASTRICHT

mr. M.T.J.H. Berns

appellant

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

22 april 2021

Zaaknummer

20/1273 AW

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:CRVB:2021:909

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

CRVB:2026:336
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:333
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:330
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:340
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:281
Centrale Raad van Beroep·4 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht