Man slaat rivaal met ijzeren staaf in winkelcentrum, noodweer verworpen — GHAMS:2014:5903
poging tot zware mishandeling / noodweer / eigenrichting
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie
Verweerder / gedaagde
Verdachte
Verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf, met gedeeltelijke toewijzing van de schadevergoedingsvordering van het slachtoffer.
- Vrijspraak voor poging doodslag: een ijzeren staaf van 40 cm lang en 1 cm dik brengt geen aanmerkelijke kans op overlijden met zich mee.
- Wel bewezen: poging tot zware mishandeling op basis van voorwaardelijk opzet, omdat slaan op het hoofd de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.
- Noodweer, noodweerexces en putatief noodweer verworpen: verdachte zocht zelf de confrontatie op en er was geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
- Hof kwalificeert het handelen als eigenrichting en legt hogere straf op dan de rechtbank.
- Schadevergoedingsvordering van slachtoffer gedeeltelijk toegewezen; resterende vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Samenvatting
Een man zonder vaste woon- of verblijfplaats werd in hoger beroep veroordeeld voor poging tot zware mishandeling, nadat hij op 21 april 2012 in winkelcentrum Reigersbos in Amsterdam een bekende meerdere keren met een ijzeren staaf had geslagen.
Een week eerder, op 14 april 2012, had er een incident plaatsgevonden waarbij het slachtoffer geweld had gebruikt tegen de verdachte. Sindsdien droeg de verdachte naar eigen zeggen een ijzeren staaf bij zich om zichzelf en zijn vriendin te beschermen. Toen hij het slachtoffer toevallig tegenkwam in het winkelcentrum, zag hij hem lachen en een telefoon pakken. De verdachte haalde de staaf uit de tas van zijn vriendin, liep op het slachtoffer af en sloeg hem meerdere malen — ook op het hoofd. Toen het slachtoffer wegvluchtte, zette de verdachte de achtervolging in en sloeg hem opnieuw.
De verdediging voerde aan dat er geen opzet was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, en beriep zich subsidiair op noodweer. Het hof verwierp beide verweren. Over de staaf — 40 centimeter lang en 1 centimeter dik — oordeelde het hof dat daarmee geen aanmerkelijke kans bestaat dat iemand overlijdt. Van poging tot doodslag werd de verdachte dan ook vrijgesproken. Maar slaan met zo'n staaf tegen het hoofd, een zeer kwetsbaar lichaamsdeel, brengt naar algemene ervaringsregels wél de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich mee. Daarmee stond voorwaardelijk opzet op zware mishandeling vast.
Het beroep op noodweer werd afgewezen omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het slachtoffer keek de verdachte slechts lachend aan en begon te bellen — dat levert geen noodweersituatie op. De verdachte zocht bovendien zelf de confrontatie op door met de staaf op het slachtoffer af te lopen. Zelfs als het slachtoffer daarna op de verdachte afliep, verandert dat niets aan het oordeel. Ook het beroep op putatief noodweer slaagde niet: de omstandigheden konden bij de verdachte redelijkerwijs geen vrees wekken dat hij op dat moment zou worden aangevallen.
Het hof rekende de verdachte zwaar aan dat hij eigenrichting had gepleegd: in plaats van aangifte te doen van de mishandeling een week eerder, nam hij het heft letterlijk in eigen handen. Zijn handelen in een openbaar winkelcentrum droeg bovendien bij aan gevoelens van onveiligheid. De verdachte had eerder onherroepelijke veroordelingen voor geweldsmisdrijven.
Het hof legde een hogere straf op dan de rechtbank. De verdachte kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf. Daarnaast werd hij veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente, waarbij de schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd om betaling te bevorderen.
Betrokken advocaten
raadsvrouw (naam niet vermeld)
verdachte
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHAMS:2018:1684, Gerechtshof Amsterdam, 29-05-2018, 23-004567-17
Gerechtshof Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:GHAMS:2017:5039, Gerechtshof Amsterdam, 30-11-2017, 23-005017-15
Gerechtshof Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:GHAMS:2017:4787, Gerechtshof Amsterdam, 21-11-2017, 23-004592-15
Gerechtshof Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:GHAMS:2017:3713, Gerechtshof Amsterdam, 01-09-2017, 23-000049-17.a
Gerechtshof Amsterdam · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
7 november 2014
Instantie
Gerechtshof AmsterdamRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
23-001818-13
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2014:5903