Toeristenbelasting short stay: hof stelt heffingsgrondslag vast — GHAMS:2015:1947
toeristenbelasting / short stay verhuur / heffingsgrondslag gemeentelijke belasting
Eiser / verzoeker
[X], aanbieder van short stay appartementen te Amsterdam
Verweerder / gedaagde
Heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam
Het hof beoordeelt in hoger beroep de toeristenbelastingaanslagen over 2007-2011, waarbij de rechtbank de aanslagen al had verlaagd en het hof de juiste heffingsgrondslag nader vaststelt.
- De vraag of short stay verhuur van gemeubileerde appartementen aan bedrijven voor expats onder de toeristenbelasting valt, is bevestigend beantwoord door de gemeente Amsterdam vanaf 2009, in afwijking van eerder beleid.
- De heffingsgrondslag is de totale vergoeding die in rekening wordt gebracht voor het verblijf met overnachten, maar partijen twisten over welk deel van de huuropbrengsten hieronder valt.
- De rechtbank verlaagde de aanslagen al aanzienlijk; in hoger beroep wordt de exacte grondslag per jaar verder uitgewerkt aan de hand van door het hof opgevraagde nadere informatie.
- Het beleid van de gemeente Amsterdam over short stay en toeristenbelasting is in de betrokken periode gewijzigd: een beleidsnotitie uit 2007 sloot toeristenbelasting uit, terwijl de notitie van 2009 heffing juist voorschreef.
- De huurovereenkomst tussen het bedrijf en zakelijke huurders kwalificeert het verblijf als tijdelijke huisvesting van werknemers, wat de vraag oproept in hoeverre dit 'verblijf met overnachten tegen vergoeding' in de zin van de verordening betreft.
Samenvatting
Een Amsterdams bedrijf dat gemeubileerde appartementen verhuurt aan bedrijven voor de tijdelijke huisvesting van expats en zakelijke gasten, vecht voor de rechter een reeks aanslagen toeristenbelasting aan. De gemeente Amsterdam legt over de jaren 2007 tot en met 2011 in totaal forse aanslagen op, gebaseerd op de door het bedrijf aangegeven omzet uit de verhuur van zogenoemde 'short stay' appartementen in stadsdeel Zuid.
Het bedrijf verhuurt de appartementen niet rechtstreeks aan individuele gasten, maar sluit huurovereenkomsten met bedrijven — zoals een grote financiële instelling — die de suites vervolgens ter beschikking stellen aan hun medewerkers voor tijdelijk verblijf, doorgaans tot ongeveer zes maanden. De appartementen zijn volledig ingericht en voorzien van diensten zoals wekelijkse schoonmaak, beddengoed, receptie en sleutelbeheer. Gasten kunnen 24 uur per dag inchecken.
De gemeente stelt dat over de vergoedingen die in rekening worden gebracht voor dit verblijf toeristenbelasting verschuldigd is. De toeristenbelasting is bedoeld voor personen die niet als inwoner in de gemeentelijke basisadministratie zijn ingeschreven en die tegen betaling overnachten in de gemeente. Het bedrijf betwist echter dat alle huurinkomsten als grondslag voor de toeristenbelasting kunnen gelden. Een deel van de vergoeding ziet volgens het bedrijf niet op het overnachten zelf, maar op andere diensten of op personen die wél als ingezetene zijn ingeschreven.
De rechtbank in Amsterdam gaf het bedrijf in 2012 al gedeeltelijk gelijk en verlaagde de aanslagen aanzienlijk. De heffingsgrondslagen werden voor elk jaar naar beneden bijgesteld, wat resulteerde in lagere belastingbedragen. Zo werd de aanslag over 2009 bijvoorbeeld verlaagd van ruim 55.000 euro naar circa 40.000 euro.
In hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam draait de zaak om de vraag hoe de heffingsgrondslag precies moet worden vastgesteld: welk deel van de totale huuropbrengsten mag de gemeente belasten? Het hof heropende het vooronderzoek om aanvullende informatie bij de heffingsambtenaar op te vragen, waarna meerdere schriftelijke rondes en twee zittingen volgden. De zaak illustreert de complexe verhouding tussen het gemeentelijk beleid rondom short stay — dat zakelijk tijdelijk wonen juist wilde stimuleren vanwege het economische belang voor Amsterdam — en de heffing van toeristenbelasting. In een beleidsnotitie uit 2007 stelde de gemeente aanvankelijk nog dat er bij short stay geen sprake was van toeristisch verblijf en dus geen toeristenbelasting verschuldigd was, maar in 2009 keerde het beleid: voortaan moest over short stay overnachtingen wél toeristenbelasting worden betaald.
De uitkomst van het hoger beroep laat zien dat het hof een eigen oordeel vormt over de juiste grondslag voor de belastingaanslagen over de betrokken jaren, waarbij de eerder door de rechtbank vastgestelde verminderingen het vertrekpunt vormen voor verdere beoordeling.
Betrokken advocaten
mr. Ch.Y.M. Moons
eiser
Wieringa advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2025:5517, Rechtbank Midden-Nederland, 08-10-2025, C/16/589131 / HA ZA 25-108
Rechtbank Midden-Nederland · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:3031, Rechtbank Midden-Nederland, 27-05-2025, UTR 24/6789
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:2463, Rechtbank Midden-Nederland, 15-05-2025, UTR 24/7715, 24/7729 en 24/7760
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:608, Raad van State, 20-02-2025, 202406785/2/R4
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
23 april 2015
Instantie
Gerechtshof AmsterdamRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
12.00744 t/m 12.00748
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2015:1947