ECLI:NL:GHAMS:2019:3465, Gerechtshof Amsterdam, 17-09-2019, 200.253.494/01 — GHAMS:2019:3465
Samenvatting
Artikel 1:253r BW. Niet gebleken is dat de moeder in de onmogelijkheid verkeerde om het gezag uit te oefenen. Uit hetgeen de raad en de GI hebben gesteld komt veeleer naar voren dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen en dat in verband daarmee de moeder het ouderlijk gezag niet (meer) zou moeten toekomen. Die vragen dienen echter in een ander wettelijk kader te worden onderzocht.
Betrokken advocaten
mr. Y.S.D. de Regt- van Gomel
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHAMS:2022:2415, Gerechtshof Amsterdam, 23-08-2022, 200.305.123/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHAMS:2022:2336, Gerechtshof Amsterdam, 16-08-2022, 200.310.301/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHAMS:2018:2149, Gerechtshof Amsterdam, 05-06-2018, 200.235.172/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHAMS:2017:3295, Gerechtshof Amsterdam, 15-08-2017, 200.177.323/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
17 september 2019
Instantie
Gerechtshof AmsterdamRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
200.253.494/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2019:3465