ECLI:NL:GHAMS:2023:3582, Gerechtshof Amsterdam, 21-11-2023, 200.301.226/01 — GHAMS:2023:3582
Samenvatting
In deze zaak gaat het om de vraag of de werknemer recht heeft op een billijke vergoeding na opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever met toestemming van het UWV. Het hof acht de door de werkgever gestelde bedrijfseconomische noodzaak om de arbeidsplaats van de werknemer te laten vervallen voldoende aannemelijk. Daarmee is er geen plaats voor de door de werknemer verzochte billijke vergoeding. Ook de door de werknemer ingestelde nevenverzoeken met betrekking tot achterstallig salaris, te weinig betaalde vakantie- en overuren, een jaarlijkse uitkering en de (hoogte van de) transitievergoeding worden afgewezen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:485, Raad van State, 28-01-2026, 202504991/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNHO:2026:735, Rechtbank Noord-Holland, 05-01-2026, 11776332
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Arbeidsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:4586, Raad van State, 26-09-2025, 202504991/2/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBAMS:2023:3879, Rechtbank Amsterdam, 22-06-2023, C/13/734507 / KG ZA 23-464
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
21 november 2023
Instantie
Gerechtshof AmsterdamRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
200.301.226/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:3582