ECLI:NL:GHAMS:2025:202, Gerechtshof Amsterdam, 28-01-2025, 200.323.893/01 — GHAMS:2025:202
Samenvatting
In deze zaak gaat het om de vraag of een opdrachtgever zijn vordering wegens vervangende schadevergoeding op een ander dan de opdrachtnemer kan verhalen. Het hof oordeelt dat dat niet kan omdat die derde geen partij is bij de overeenkomst, niet met de opdrachtnemer vereenzelvigd kan worden en niet onrechtmatig heeft gehandeld als onderaannemer. De tekortkoming van de opdrachtnemer staat vast. Anders dan hij aanvoert, kan uit de onderhandelingen die partijen hebben gevoerd over een minnelijke regeling niet worden afgeleid dat de opdrachtgever terug heeft willen komen op zijn eerdere omzettingsverklaring. De opdrachtnemer verkeert in verzuim en van schuldeisersverzuim is geen sprake. Daarmee is de opdrachtnemer schadeplichtig. Wat betreft de hoogte van de schade volgt het hof het subsidiaire standpunt van de opdrachtgever en sluit het hof aan bij een deskundigenrapport van BDA. Dat is naar het oordeel van het hof deugdelijk (tot stand gekomen) en hoeft niet buiten beschouwing te worden gelaten. De (deels voorwaardelijke) vermeerdering van eis in hoger beroep wordt gedeeltelijk toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis in eerste aanleg.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2024:6704, Rechtbank Midden-Nederland, 20-11-2024, C/16/569468 / HL ZA 24-29
Rechtbank Midden-Nederland · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:GHAMS:2024:1247, Gerechtshof Amsterdam, 07-05-2024, 200.297.968/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:GHAMS:2024:89, Gerechtshof Amsterdam, 16-01-2024, 200.308.435/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:GHAMS:2023:2010, Gerechtshof Amsterdam, 22-08-2023, 200.304.223/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
28 januari 2025
Instantie
Gerechtshof AmsterdamRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
200.323.893/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:202