Juristi.nl
ECLI:NL:GHAMS:2025:2377Bestuursrecht; Belastingrecht

ECLI:NL:GHAMS:2025:2377, Gerechtshof Amsterdam, 11-09-2025, 22/2467 tot en met 22/2475, 24/40 tot en met 24/43 en 24/57 tot en met 24/60 — GHAMS:2025:2377

Samenvatting

Belanghebbende is een in Nederland gevestigde vennootschap die behoort tot een internationaal opererend concern. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2008 tot en met 2016 (navorderings)aanslagen vennootschapsbelasting (vpb) opgelegd met aanzienlijke correcties op de door belanghebbende aangegeven belastbare bedragen. Bovendien heeft de inspecteur voor de jaren 2010 en 2012 tot en met 2016 vergrijpboeten opgelegd. Voor alle jaren is in geschil of de vergoedingen (verrekenprijzen) die diverse in het buitenland gevestigde concernvennootschappen voor leveringen en diensten aan belanghebbende in rekening hebben gebracht als zakelijk kunnen worden aangemerkt. Daarnaast is voor het jaar 2016 in geschil of de beëindiging van door een gevoegde dochtermaatschappij van belanghebbende geëxploiteerde licentierechten dient te worden aangemerkt als een onzakelijke onttrekking aan het vermogen van belanghebbende. Een van de verrekenprijscorrecties betreft de kosten van factoring (factoring fees) die door een concernvennootschap aan belanghebbende in rekening zijn gebracht. Het Hof is van oordeel dat deze kosten voor het grootste deel ervan onzakelijk zijn en dat belanghebbende het ingevolge artikel 8b van de Wet VPB 1969 hieruit resulterende bewijsvermoeden – dat de oorzaak van het hierdoor ontstane nadeel voor belanghebbende zijn oorzaak vindt in de gelieerdheid van belanghebbende met de concernvennootschap – niet heeft ontzenuwd. Belanghebbende heeft aan haar moedervennootschap bedragen betaald aan garantiefees voor het garant staan door die moedervennootschap voor door belanghebbende uitgegeven beursgenoteerde obligaties. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aan de hand van door S&P ontwikkelde criteria aannemelijk gemaakt dat belanghebbende dient te worden aangemerkt als een zogenoemde ‘core vennootschap’ van het concern en dat de creditrating van belanghebbende, indien met die hoedanigheid rekening wordt gehouden (‘afgeleide rating’), overeenkomt met de credit rating van het concern als geheel. Vanwege die credit rating kan belanghebbende, als onderdeel van het concern, op gunstiger voorwaarden obligatieleningen aantrekken, aangezien de markt ervan zal uitgaan dat belanghebbende bij het niet kunnen voldoen aan haar verplichtingen uit de obligatieleningen kan rekenen op ondersteuning (‘implicit support’) door het concern. Er is dan geen sprake van een afzonderlijke intra-group service waarvoor betaald zou moeten worden. De door belanghebbende in aftrek gebrachte garantiefees voldoen daarom niet aan het arm’s length-beginsel en belanghebbende heeft het bewijsvermoeden dat het onzakelijke handelen zijn oorzaak vindt in haar gelieerdheid met de moedervennootschap niet ontzenuwd. Met betrekking tot de in 2016 beëindigde licentierechten, die in 2008 voor een waarde van € 1 miljard tot het vermogen van belanghebbende zijn gaan behoren, acht het Hof het onzakelijk dat belanghebbende bij de beëindiging van de rechten (waarvan de exploitatie binnen het concern in het Verenigd Koninkrijk is voortgezet) geen vergoeding voor de waarde ervan heeft gekregen. Naar het oordeel van het Hof heeft dat geleid tot een onzakelijke onttrekking aan het vermogen van belanghebbende ter grootte van ruim € 1,3 miljard. Voor de jaren 2011 tot en met 2016 is het Hof van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt, op grond van de hiervoor genoemde, door het Hof (deels) in stand gelaten correcties factoring fees, garantiefees (voor het jaar 2013) en beëindiging licentierechten (voor het jaar 2016), dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e AWR. Als gevolg daarvan dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard voor de gehele uitspraak op bezwaar. De opvatting van belanghebbende dat deze bewijsrechtelijke sanctie in verrekenprijsgeschillen niet kan worden toegepast, is door het Hof verworpen. Ter zake van de in aanmerking genomen correcties garantiefees heeft het Hof het pleitbaar geacht, gezien de onzekerheden die er in het verleden waren omtrent het leerstuk ‘implicit support’, dat belanghebbende daarmee gedurende een aantal jaren geen rekening heeft gehouden. Vanaf de bekendmaking van het Verrekenprijzenbesluit 2013, op 26 november 2013, diende belanghebbende wel rekening te houden met ‘implicit support’. Met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast is een aantal andere in geschil zijnde verrekenprijscorrecties door het Hof beoordeeld. Het betreft onder meer de volgende correcties: - door een concernvennootschap aan belanghebbende in rekening gebrachte vergoedingen voor activiteiten gericht op kostenbesparingen, welke vergoedingen deels in de vorm van een percentage van de winst van belanghebbende in rekening zijn gebracht (profit split) en deels in de vorm van een vergoeding overeenkomend met een opslag op in rekening gebrachte kosten (cost-plus). De door de inspecteur in aanmerking genomen correcties zijn grotendeels in stand gelaten, behoudens het door de inspecteur bij zijn correcties in aanmerking genomen cost-pluspercentage; - door belanghebbende betaalde royalty’s voor ‘Innovations and Technology’ van 2% (later 3%) van de netto omzet behaald met gebruikmaking van een licentie die door een concernvennootschap ter beschikking is gesteld. Deze correcties zijn in stand gelaten; - in aftrek gebrachte rente in verband met langlopende obligatieleningen. De leningen zijn overeengekomen met niet-gelieerde partijen en de gelden zijn aangewend voor de aankoop van de deelnemingen. De correcties van de inspecteur zijn teruggenomen; - een correctie in verband met in aftrek gebrachte reorganisatiekosten, die naar het oordeel van het Hof ten onrechte is aangebracht; - in aftrek gebrachte kosten in verband met de (mislukte) introductie van een product op een buitenlandse markt. Belanghebbende heeft overtuigend aangetoond dat zij niet onzakelijk heeft gehandeld, zodat de correctie van de inspecteur is teruggenomen. Het Hof heeft geoordeeld dat het in aanmerking nemen van correcties op door buitenlandse concernvennootschappen in rekening gebrachte verrekenprijzen niet strijdig is met Europees recht. Uit het Hornbacharrest (ECLI:EU:C:2018:366) volgt dat het VWEU in beginsel niet in de weg staat aan een regeling zoals vervat in artikel 8b van de Wet VPB. Van strijd met de vrijheid van vestiging of het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel is evenmin sprake. De door de inspecteur ter zake van de correctie factoring fees opgelegde vergrijpboeten zijn naar het oordeel van het Hof terecht opgelegd. De inspecteur heeft de feiten en omstandigheden overtuigend aangetoond waaruit volgt dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslag te laag is vastgesteld respectievelijk (voor de jaren 2012 tot en met 2016) onjuiste aangiften zijn gedaan. Het Hof oordeelt dat van een pleitbaar standpunt geen sprake is en acht de opgelegde boeten (van in totaal ruim € 2,2 miljoen) passend en geboden, zij het dat de boeten zijn verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De opvatting van belanghebbende – onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van artikel 8b Wet VPB – dat in verrekenprijsgeschillen uitsluitend een vergrijpboete kan worden opgelegd in geval van zuiver opzet, is door het Hof verworpen. De door de inspecteur in verband met de correcties profit split en cost-plus opgelegde vergrijpboeten zijn vernietigd, omdat de inspecteur niet overtuigend heeft aangetoond dat belanghebbende op dit punt (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan. De in verband met de beëindiging van de licentierechten opgelegde vergrijpboete van € 125 miljoen (die door de rechtbank was verminderd tot € 106.382.065) is door het Hof eveneens vernietigd. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de indiening van de aangifte vpb 2016 een brief aan de inspecteur toegezonden waarin zij de inspecteur heeft gewezen op het door haar in de aangifte in te nemen standpunt over de fiscale gevolgen van de beëindiging van de licentierechten, onder verwijzing naar de eerder hierover met de inspecteur gewisselde correspondentie en gevoerde overleggen. Bovendien heeft zij in deze brief aangeboden om de inspecteur desgewenst van nadere informatie te voorzien. Gelet op deze specifieke feiten en omstandigheden is het Hof van oordeel dat de inspecteur niet de feiten en omstandigheden heeft doen blijken waaruit volgt dat belanghebbende ten tijde van het indienen van de aangifte vpb 2016 niet alleen wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat als gevolg van de aangifte te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat zij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Betrokken advocaten

mr. M. Sanders

belanghebbende

Loyens & Loeff, AMSTERDAM

mr. T.C. Gerverdinck

belanghebbende

Loyens & Loeff, AMSTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

11 september 2025

Zaaknummer

22/2467 tot en met 22/2475, 24/40 tot en met 24/43 en 24/57 tot en met 24/60

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:GHAMS:2025:2377

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

GHAMS:2026:798
Gerechtshof Amsterdam·3 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHAMS:2026:799
Gerechtshof Amsterdam·3 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHAMS:2026:527
Gerechtshof Amsterdam·24 februari 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHAMS:2026:529
Gerechtshof Amsterdam·17 februari 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHAMS:2026:518
Gerechtshof Amsterdam·10 februari 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht