ECLI:NL:GHARL:2025:3478, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-06-2025, 21-003126-23 — GHARL:2025:3478
Samenvatting
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte vanuit zijn rol als hulpverlener ontucht heeft gepleegd met aangeefster, die zich als cliënt aan de hulp van verdachte had toevertrouwd. De relatie tussen de verdachte en aangeefster kan feitelijk niet anders worden geduid dan als een maatschappelijke zorgrelatie in de zin van artikel 249, lid 2, onder 3 Sr. Dat de verdachte niet werkzaam was in de maatschappelijke zorg, doet hier niets aan af. De verdachte had zich moeten realiseren wat zijn positie was tegenover de studenten die meededen aan het project, gelet op zijn werkervaring in het onderwijs – waaronder zijn werkzaamheden als coach en studieloopbaanbegeleider – en de rol die hij feitelijk vervulde binnen het projectteam, namelijk als iemand die – zo nodig ook individueel – begeleiding en coaching bood als het niet lekker liep in het team.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2025:4620, Rechtbank Noord-Nederland, 04-11-2025, 18-730348-17
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Penitentiair Strafrecht
ECLI:NL:GHARL:2025:5936, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29-09-2025, 21-005211-24
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:11563, Rechtbank Rotterdam, 24-09-2025, 10/174333-25
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:3774, Rechtbank Noord-Nederland, 18-09-2025, 18/176608-24
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
4 juni 2025
Instantie
Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenRechtsgebied
Strafrecht; StrafprocesrechtZaaknummer
21-003126-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:3478