Drentse man veroordeeld voor weigeren bloedonderzoek na GHB-verdenking — GHARL:2026:1892
weigering bloedonderzoek / rijden onder invloed (WVW)
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie
Verweerder / gedaagde
verdachte
Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren (subsidiair 15 dagen hechtenis) en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 91 dagen met aftrek.
- Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter omdat de bewijsmiddelen niet waren uitgewerkt in het proces-verbaal van de zitting.
- De overschrijding van de 90-minutentermijn voor bloedafname levert geen vormverzuim op dat bewijsuitsluiting rechtvaardigt, omdat deze termijn niet tot de strikte waarborgen van het bloedonderzoek behoort.
- Verdachte heeft geen aantoonbaar nadeel geleden van de termijnoverschrijding, nu hij aanvankelijk instemde met de bloedproef en de vertraging mede door zijn eigen toestand (GHB-gebruik) werd veroorzaakt.
- Verdachte erkende ter zitting van het hof dat hij uiteindelijk geen gevolg heeft gegeven aan het bevel van de hulpofficier van justitie om mee te werken aan het bloedonderzoek.
- Het hof legde dezelfde straf op als de politierechter: een taakstraf van 30 uren en een rijontzegging van 91 dagen met aftrek.
Samenvatting
Op de avond van 30 juni 2023 werd in een Noord-Drentse plaats een man aangetroffen die schokkend achter het stuur van zijn auto zat. Melders dachten aanvankelijk aan een epileptische aanval. Toen de man vervolgens toch nog was weggereden en kort daarna tot stilstand was gekomen met de wielen op de stoeprand, werden de sleutels uit zijn auto gehaald. De politie stelde vast dat het om de verdachte ging.
Ambulanciepersoneel dat ter plaatse was, vermoedde gebruik van verdovende middelen. De zus van de verdachte bevestigde dit vermoeden: zij herkende het gedrag van haar broer als typisch voor GHB-gebruik. Omdat GHB niet via een speekseltest kan worden aangetoond, besloot de politie de man aan te houden en mee te nemen naar het bureau voor een bloedproef. Op het bureau gaf de verdachte aanvankelijk aan mee te willen werken.
De verpleegkundige van de GGD die om kwart over zeven 's avonds arriveerde, slaagde er echter niet in bloed af te nemen: de aderen van de verdachte lagen te diep onder de huid, terwijl hij bovendien extreem beweeglijk was — vermoedelijk door het GHB-gebruik. Daarna werd een forensisch arts ingeschakeld. Toen die omstreeks half negen aankwam, weigerde de verdachte alsnog mee te werken aan de bloedproef. Een hulpofficier van justitie gaf hem vervolgens formeel het bevel om mee te werken, met uitleg over de gevolgen van weigering. De man bleef bij zijn weigering.
Voor de politierechter in Assen werd de verdachte in augustus 2025 veroordeeld voor het weigeren mee te werken aan het bloedonderzoek. Hij ging in hoger beroep. Zijn raadsvrouw voerde aan dat de zogeheten 90-minutentermijn — de wettelijke termijn waarbinnen bloed moet worden afgenomen — met maar liefst 77 minuten was overschreden. Dat zou zo ernstig zijn dat de resultaten van het onderzoek niet als bewijs mogen worden gebruikt, en de verdachte zou moeten worden vrijgesproken.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verwierp dit verweer. Volgens vaste rechtspraak behoort de 90-minutentermijn niet tot de strikte waarborgen rondom het bloedonderzoek. Bovendien had de verdachte door de overschrijding geen nadeel geleden: hij was door zijn eigen toestand — waarschijnlijk veroorzaakt door het GHB — tijdelijk niet te prikken, en had aanvankelijk zelfs ingestemd met de bloedafname. Van een ernstig vormverzuim dat vrijspraak rechtvaardigt, was geen sprake.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter wegens een formele tekortkoming — de bewijsmiddelen waren niet uitgewerkt in het proces-verbaal — en deed de zaak opnieuw af. De verdachte werd opnieuw veroordeeld: hij krijgt een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, en mag gedurende 91 dagen niet rijden, waarbij de tijd dat zijn rijbewijs al was ingevorderd in mindering wordt gebracht.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:5, Rechtbank Amsterdam, 02-01-2026, 13/256488-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:8745, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-12-2025, 02-327539-24
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Strafrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:8757, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-12-2025, 02-320583-24
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Strafrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:8482, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03-12-2025, 05-383629-24
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenRechtsgebied
Strafrecht; StrafprocesrechtZaaknummer
21-003793-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1892