Juristi.nl
ECLI:NL:GHARL:2026:705Bestuursrecht; Belastingrecht

Hof bevestigt: WOZ-bezwaar niet-ontvankelijk, geen schadevergoeding — GHARL:2026:705

WOZ-waardering / niet-ontvankelijkheid bezwaar / immateriële schadevergoeding redelijke termijn

Eiser / verzoeker

Belanghebbende (inwoner gemeente Staphorst)

VS

Verweerder / gedaagde

Heffingsambtenaar van de gemeente Staphorst

Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank: het bezwaar was terecht niet-ontvankelijk verklaard en er bestaat geen recht op vergoeding van immateriële schade.

  • Bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, zowel voor [adres1] als eerder al voor [adres2]
  • Geen vergoeding immateriële schade omdat de spanning geacht wordt te zijn geëindigd met de eerdere uitspraak over het samenhangende bezwaar

Samenvatting

Een inwoner van Staphorst verloor een belastinggeschil over de WOZ-waarde van zijn woning aan de [adres1]. De zaak draaide om de vraag of zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard en of hij recht had op een schadevergoeding wegens te lange behandelduur.

De voorgeschiedenis is enigszins complex. In januari 2021 ontving de man één aanslagbiljet van de gemeente Staphorst met daarop twee WOZ-beschikkingen: voor zijn woning aan de [adres1] én voor een ander object aan de [adres2]. Hij diende in maart 2021 één bezwaarschrift in tegen beide beschikkingen. De gemeente deed echter in november 2021 alleen uitspraak over het bezwaar tegen de [adres2] — en verklaarde dat bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Het bezwaar over de [adres1] werd simpelweg vergeten.

De rechtbank constateerde deze omissie tijdens een zitting in een eerder beroep over de [adres2]. Pas in februari 2023 deed de gemeente alsnog uitspraak over de [adres1], waarbij het bezwaar om dezelfde reden niet-ontvankelijk werd verklaard: te laat ingediend. De man ging daartegen in beroep, maar de Rechtbank Overijssel verklaarde dat beroep ongegrond in maart 2024. Vervolgens stelde hij hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

In hoger beroep stond ook de vraag centraal of de man recht had op een vergoeding voor immateriële schade. Bij overschrijding van de zogenoemde redelijke termijn — de tijd die een juridische procedure maximaal mag duren — kan een belastingplichtige aanspraak maken op een financiële compensatie voor de spanning en frustratie die de lange onzekerheid veroorzaakt. De man voerde aan dat de procedure over de [adres1] te lang had geduurd.

Het hof ging daar niet in mee. Omdat beide bezwaren in hetzelfde bezwaarschrift en in dezelfde envelop waren verstuurd, oordeelde het hof dat de spanning en onzekerheid van de man al was weggenomen toen de rechtbank op 10 januari 2023 uitspraak deed in de zaak over de [adres2]. De kwestie over de ontvankelijkheid was voor de man immers al duidelijk geworden uit die eerdere uitspraak. Een aparte vergoeding voor de procedure over de [adres1] was daarom niet op zijn plaats.

Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank volledig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, en de man kreeg geen vergoeding voor griffierecht of proceskosten.

Betrokken advocaten

mr. [naam1]

belanghebbende

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

3 februari 2026

Zaaknummer

24/717

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:GHARL:2026:705

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Hof verhoogt proceskostenvergoeding WOZ-geschil gemeente Gooise Meren
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden·31 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
WOZ-waarde woning Vijfheerenlanden blijft op €410.000
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden·31 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHARL:2026:1850
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden·24 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHARL:2026:1691
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden·24 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHARL:2026:1855
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden·24 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht