Makelaar verliest courtagevordering van 44.000 euro wegens ontbrekende overeenkomst — GHARN:2006:AV5186
bemiddelingsovereenkomst / courtageclaim vastgoedmakelaar
Eiser / verzoeker
Appellante besloten vennootschap (vastgoedmakelaar)
Verweerder / gedaagde
Geïntimeerde (particuliere vastgoedbelegger)
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees alle vorderingen van de makelaar tot betaling van courtage af wegens het ontbreken van een overeenkomst.
- Het eenzijdig en ongevraagd toesturen van informatie over een te koop staand pand schept geen verplichting voor de ontvanger om courtage te betalen bij aankoop van dat pand.
- Voor verschuldigdheid van courtage of loon is wilsovereenstemming vereist; branchegebruiken kunnen een ontbrekende overeenkomst niet vervangen als de wederpartij nooit heeft ingestemd.
- De getuigenverklaringen toonden onvoldoende aan dat tijdens de contactmomenten op 11 juni en 8 juli 2003 een (bemiddelings)overeenkomst met courtageverplichting tot stand was gekomen.
- De eisvermeerdering in hoger beroep (subsidiaire gronden: gangbaar loon en onrechtmatige daad) werd toegelaten, maar ook op die grondslagen faalde de vordering bij gebrek aan bewijs van een overeenkomst.
- Grief I, de kern van het hoger beroep, slaagde niet, zodat de overige grieven over proceskosten en buitengerechtelijke kosten evenmin konden slagen.
Samenvatting
Een vastgoedmakelaar (de appellante besloten vennootschap) sleepte een particuliere vastgoedbelegger voor de rechter omdat hij, na een tip over een te koop staand pand, dit pand zou hebben gekocht zonder de makelaar de afgesproken courtage van 2% te betalen. Het ging om een bedrag van ruim 44.000 euro, berekend over een aankoopprijs van 1,875 miljoen euro.
De makelaar stelde dat zij via een fax op 11 juni 2003 het pand aan de koper had aangeboden, en dat in de vastgoedbranche de gewoonte bestaat dat een koper courtage betaalt zodra hij ingaat op zo'n aanbod. Een paar weken later, op 8 juli 2003, zou de koper ook daadwerkelijk een bod hebben uitgebracht via de makelaar. De makelaar betoogde dat daarmee een bemiddelingsovereenkomst tot stand was gekomen.
De koper betwistte dat er ooit een afspraak over courtage was gemaakt. Hij had weliswaar de fax ontvangen en was langs het pand gereden, maar had nooit ingestemd met een betalingsverplichting jegens de makelaar. De rechtbank Arnhem gaf de koper gelijk na het horen van meerdere getuigen: er was onvoldoende bewijs dat partijen een overeenkomst hadden gesloten waarbij de koper zich verplichtte courtage te betalen.
In hoger beroep probeerde de makelaar het tij te keren. Zij voegde nieuwe grondslagen toe aan haar vordering: ook als er geen vast percentage was afgesproken, zou de koper een gangbare vergoeding verschuldigd zijn, en bovendien zou de koper onrechtmatig hebben gehandeld door gebruik te maken van haar diensten zonder te betalen. Het hof stond deze uitbreiding van de vordering toe, omdat de koper zich er ook inhoudelijk tegen had kunnen verweren.
Het hof oordeelde echter dat voor iedere vergoedingsverplichting een overeenkomst nodig is, en dat die overeenkomst in dit geval niet was aangetoond. Uit de fax van 11 juni 2003 alleen bleek geen wilsovereenstemming: het eenzijdig toesturen van informatie over een te koop staand pand verplicht de ontvanger niet tot het betalen van courtage. Ook de getuigenverklaringen boden onvoldoende steun. De makelaar zelf verklaarde dat er bij het eerste telefoongesprek en bij de bespreking van het vrijblijvende bod niet over courtage was gesproken. De koper ontkende zelfs dat er op 11 juni überhaupt telefonisch contact was geweest.
De door de makelaar in hoger beroep overgelegde schriftelijke verklaringen van branchegenoten gingen slechts over wat in de sector gebruikelijk is, maar zeiden niets over wat er tussen deze specifieke partijen was afgesproken. Branchegebruiken kunnen een overeenkomst niet vervangen als de wederpartij nooit heeft ingestemd met die gebruiken.
Het gerechtshof Arnhem bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees alle vorderingen van de makelaar af, inclusief de nieuwe grondslagen. De makelaar werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Betrokken advocaten
mr. J.C.M. Bonnier
appellant
mr. W.J.G.M. van den Broek
verweerder
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2020:7245, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-09-2020, 200.217.887/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
ECLI:NL:GHARL:2019:6343, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-08-2019, 200.217.887/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
ECLI:NL:RVS:2019:1218, Raad van State, 17-04-2019, 201806914/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:GHARL:2019:1422, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-02-2019, 200.237.718
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
28 februari 2006
Instantie
Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
2005/636
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARN:2006:AV5186