ECLI:NL:GHDHA:2024:2253, Gerechtshof Den Haag, 13-11-2024, 200.342.074/01 — GHDHA:2024:2253
Samenvatting
‘Hof oordeelt dat de hoofdverblijfplaats van de beide kinderen bij de moeder moet zijn in het belang van de kinderen. De uitbreiding van de zorgregeling met de vader leidde er niet toe dat het zwaartepunt van de zorg nu bij hem ligt. Van een werkelijk co-ouderschap is geen sprake nu de ouders zo min mogelijk contact met elkaar hebben. De financiële gevolgen van de scheiding van de hoofdverblijfplaats van de kinderen vindt het hof geen doorslaggevende omstandigheid in het belang van de kinderen.’
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:13412, Rechtbank Rotterdam, 06-11-2025, C/10/705473 / FA RK 25-6428
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:1815, Rechtbank Midden-Nederland, 22-04-2025, 24/4177
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:4807, Rechtbank Rotterdam, 01-04-2025, C/10/667125 / FA RK 23-7485 en C/10/671742 / FA RK 24-165
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBROT:2025:4182, Rechtbank Rotterdam, 11-02-2025, C/10/622129 / FA RK 21-5417
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
13 november 2024
Instantie
Gerechtshof Den HaagRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
200.342.074/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:2253