ECLI:NL:GHDHA:2025:118, Gerechtshof Den Haag, 14-01-2025, 200.328.151/01 — GHDHA:2025:118
Samenvatting
Het hof oordeelt dat een verdelingsvordering niet kan verjaren. Dat geldt in dit specifieke geval eveneens voor de daarmee rechtstreeks verband houdende of daaraan voorafgaande vorderingen van de vereffenaar tot afgifte van stukken en het afleggen van rekening en verantwoording. De verklaring van erfrecht levert in dit geval tegen eenieder dwingend bewijs op dat appellant als (mede)vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster is aangesteld.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:2496, Rechtbank Rotterdam, 05-03-2025, C/10/690774 / HA ZA 24-1101
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBOBR:2024:2278, Rechtbank Oost-Brabant, 29-05-2024, C/01/401490 / HA ZA 24-125
Rechtbank Oost-Brabant · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2023:21246, Rechtbank Den Haag, 14-12-2023, C/09/649603 / KG RK 23-842
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Ondernemingsrecht
ECLI:NL:RBOVE:2021:4799, Rechtbank Overijssel, 16-12-2021, C/08/273776 / KG ZA 21/258
Rechtbank Overijssel · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
14 januari 2025
Instantie
Gerechtshof Den HaagRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
200.328.151/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:118