Juristi.nl
ECLI:NL:GHDHA:2025:2148Bestuursrecht; Belastingrecht

Rechter handhaaft naheffing bpm op Toyota Hilux na onjuist taxatierapport — GHDHA:2025:2148

belasting personenauto's en motorrijtuigen (bpm) / naheffingsaanslag / voertuigclassificatie / taxatiemethode

Eiser / verzoeker

Belanghebbende (naam niet vermeld)

VS

Verweerder / gedaagde

Inspecteur van de Belastingdienst

Hoger beroep ongegrond verklaard; naheffingsaanslag bpm van €4.547 blijft in stand.

  • Toyota Hilux terecht als personenauto gekwalificeerd op basis van nationale inrichtingseisen; Europese voertuigverordening 678/2011 verplicht Nederland niet tot dezelfde indeling voor belastingdoeleinden.
  • Taxatierapport van belanghebbende onbruikbaar: onjuiste aanname bestelauto én 100% schadevermindering zonder onderbouwing, terwijl slechts 72% van de schade als waardevermindering is aanvaard.
  • Bewijslast voor afwijking van de tabelmethode en voor hoogte waardevermindering door schade ligt bij de belastingplichtige.
  • Deskundigheid DRZ-hertaxateur niet aangetast; DRZ-rapport vormt voldoende grondslag voor de naheffingsaanslag.
  • Geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het HvJ EU; bpm is een nationale belasting die slechts het Unierechtelijke non-discriminatiebeginsel moet respecteren.

Samenvatting

Een belastingplichtige importeerde een Toyota Hilux en betaalde slechts €599 aan belasting op personenauto's en motorrijtuigen (bpm), daarbij stellend dat het voertuig een bestelauto was. De Belastingdienst controleerde de aangifte en legde een naheffingsaanslag op van €4.547, omdat de auto volgens de RDW-gegevens als personenauto geregistreerd staat en de werkelijke bpm-schuld veel hoger was.

De kern van het geschil draaide om twee vragen: mocht de auto als bestelauto worden aangemerkt op basis van Europese regelgeving, en klopte de taxatie die de belastingplichtige had laten uitvoeren om de waarde — en daarmee de bpm — te berekenen?

De belastingplichtige beriep zich op een Europese verordening (678/2011) die de auto wél als bestelauto zou kwalificeren. Zowel de rechtbank als het gerechtshof verwierpen dit argument. De Europese richtlijn waarop die verordening is gebaseerd, staat lidstaten uitdrukkelijk toe om voor belastingdoeleinden af te wijken van de Europese voertuigindeling. Nederland hanteert eigen nationale inrichtingseisen voor het onderscheid tussen bestel- en personenauto's, en de Toyota Hilux voldeed daar niet aan. De bpm is een nationale belasting en geen Europese regeling, zodat Nederland niet verplicht is de Europese voertuigclassificatie te volgen.

Het taxatierapport dat de belastingplichtige had laten opstellen, deugde om twee redenen niet. Ten eerste ging de taxateur er ten onrechte van uit dat de auto een bestelauto was, waardoor de hele berekening op een verkeerde grondslag rustte. Ten tweede had de taxateur de volledige geschatte schade van bijna €10.000 van de waarde afgetrokken, zonder dit te onderbouwen. De Belastingdienst hanteert als uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeomvang als waardevermindering wordt meegeteld — een percentage dat in de jurisprudentie is aanvaard. Omdat de belastingplichtige niet aannemelijk kon maken dat een hoger percentage gerechtvaardigd was, kon hij zich niet op het eigen taxatierapport beroepen.

De belastingplichtige betwistte ook de deskundigheid van de hertaxateur van Domeinen Roerende Zaken (DRZ), de organisatie die namens de Belastingdienst de auto had getaxeerd. Dit verweer slaagde evenmin: de rechter zag geen reden te twijfelen aan de deskundigheid of onafhankelijkheid van de DRZ-taxateur op basis van de inhoud van diens rapport.

Voorts verzocht de belastingplichtige het hof om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie over de verhouding tussen de bpm-wetgeving en het Unierecht. Het hof zag daar geen aanleiding toe: de Nederlandse bpm-regeling is in overeenstemming met het Europese recht, dat slechts vereist dat ingevoerde gebruikte auto's niet zwaarder worden belast dan vergelijkbare binnenlandse voertuigen.

Het gerechtshof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De naheffingsaanslag van €4.547 blijft daarmee in stand.

Betrokken advocaten

mr. A.F.M.J. Verhoeven

appellant

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

4 september 2025

Zaaknummer

BK-24/777

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:GHDHA:2025:2148

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

GHDHA:2026:412
Gerechtshof Den Haag·17 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHDHA:2026:413
Gerechtshof Den Haag·17 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHDHA:2026:430
Gerechtshof Den Haag·10 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHDHA:2026:338
Gerechtshof Den Haag·3 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
GHDHA:2026:345
Gerechtshof Den Haag·3 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht