Hof weigert ontbinding huurovereenkomst vanwege drugsaanwezigheid — GHDHA:2025:2794
huurrecht / ontbinding huurovereenkomst sociale huurwoning wegens drugsaanwezigheid
Eiser / verzoeker
Oost West Wonen (woningcorporatie)
Verweerder / gedaagde
appellante (huurster, anoniem)
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst af, omdat de tekortkomingen de ontbinding niet rechtvaardigen.
- Strafrechter veroordeelde de ex-partner alleen voor bezit van drugs, niet voor drugshandel vanuit de woning; het hof neemt dit als uitgangspunt en verwerpt de stelling van OW Wonen dat de woning als schakel in drugshandel diende.
- Hoewel de aanwezigheid van drugs een contractuele tekortkoming oplevert, rechtvaardigt dit niet automatisch ontbinding; alle omstandigheden moeten worden afgewogen.
- Het hof weegt het belang van het 10-jarige kind mee op grond van het VN-Kinderrechtenverdrag: ontbinding schaadt de omgangsregeling van moeder en kind.
- OW Wonen is de enige sociale verhuurder in Goeree-Overflakkee; de vrouw kan met haar inkomen van ca. €1.300 per maand geen particuliere huurwoning betalen, waardoor ontbinding haar effectief dwingt de gemeente te verlaten.
- De vrouw had geen wetenschap van de drugs: de ex-partner verklaarde alleen te hebben gehandeld, de strafrechter achtte medeplegen niet bewezen en het OM seponeerde de zaak wegens onvoldoende bewijs.
Samenvatting
Een vrouw die al sinds 2008 een sociale huurwoning huurt van woningcorporatie Oost West Wonen op Goeree-Overflakkee, dreigde haar woning te verliezen nadat er drugs waren aangetroffen. De corporatie stapte naar de rechter en eiste ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter gaf de corporatie gelijk en veroordeelde de vrouw tot ontruiming. In hoger beroep heeft het Gerechtshof Den Haag die beslissing teruggedraaid.
De drugs werden op 29 augustus 2023 aangetroffen in de woning. De toenmalige partner van de vrouw werd door de politie als verdachte aangehouden. In een bestuurlijke rapportage suggereerde de politie dat de woning mogelijk was gebruikt voor de vervaardiging of verkoop van harddrugs. Op basis daarvan besloot ook de burgemeester de woning tijdelijk te sluiten, maar de voorzieningenrechter schorste dat besluit. Uiteindelijk werd de ex-partner door de strafrechter veroordeeld voor het aanwezig hebben van ruim 114 gram amfetamine en bijna 58 gram MDMA — maar uitdrukkelijk niet voor drugshandel vanuit de woning. De vrouw zelf werd niet vervolgd wegens onvoldoende bewijs.
De kantonrechter had geoordeeld dat de aangetroffen hoeveelheid drugs en overige omstandigheden erop wezen dat de woning was gebruikt voor drugshandel, en achtte het onaannemelijk dat de vrouw daar niets van wist. Het hof ziet dat anders. Uit het strafvonnis blijkt dat de ex-partner alleen handelde, zonder medeweten van de vrouw. De strafrechter vond onvoldoende bewijs voor medeplegen of drugshandel vanuit de woning. Oost West Wonen had in dat licht nader moeten onderbouwen waarom toch van drugshandel gesproken kon worden, maar deed dat niet.
Het hof erkent dat er wél tekortkomingen zijn geweest: de aanwezigheid van drugs in de woning vormt een schending van de huurovereenkomst, ook al wist de vrouw er mogelijk niets van. Maar niet iedere tekortkoming rechtvaardigt automatisch ontbinding van de huurovereenkomst. Het hof weegt alle omstandigheden mee en concludeert dat de ontbinding in dit geval te zwaar is.
Bij die afweging speelt een bijzondere rol dat Oost West Wonen de enige sociale woningcorporatie is in de gemeente Goeree-Overflakkee. De vrouw werkt en studeert in de gehandicaptenzorg en verdient slechts ongeveer 1.300 euro per maand — te weinig om een particuliere huurwoning te betalen. Ontbinding van de huurovereenkomst zou haar feitelijk dwingen de gemeente te verlaten.
Een extra zwaarwegend argument is de positie van haar 10-jarige zoontje. De vrouw heeft een omgangsregeling met haar kind. Het hof is verplicht het belang van het kind mee te wegen op grond van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Als de vrouw haar woning verliest en de gemeente moet verlaten, raakt dat rechtstreeks de omgang met haar kind.
Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter volledig. De vorderingen van Oost West Wonen worden alsnog afgewezen. De corporatie moet ook de proceskosten betalen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. De vrouw, die na het vonnis van de kantonrechter al haar woning had verlaten en sindsdien dakloos is, heeft daarmee in principe recht op terugkeer naar haar huurwoning.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:10462, Rechtbank Rotterdam, 27-05-2025, C/10/698505 / KG ZA 25-365
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:GHDHA:2025:103, Gerechtshof Den Haag, 15-01-2025, 200.343.551/01 en 200.343.551/02
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:17625, Rechtbank Den Haag, 25-10-2024, C/09/674256 / KG ZA 24-980
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:RBROT:2024:596, Rechtbank Rotterdam, 23-01-2024, C/10/672315 / KG ZA 24-56
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
3 juni 2025
Instantie
Gerechtshof Den HaagRechtsgebied
Civiel Recht; VerbintenissenrechtZaaknummer
200.343.610/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:2794