Vader niet-ontvankelijk in hoger beroep echtscheiding — GHSGR:2006:AZ1907
echtscheiding / pensioenverevening / niet-ontvankelijkheid hoger beroep
Eiser / verzoeker
De vader (verzoeker in hoger beroep)
Verweerder / gedaagde
De moeder (verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep)
De vader werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het ontbreken van beroepsgronden, en het incidenteel verzoek van de moeder om de Wet verevening pensioenrechten buiten toepassing te verklaren werd afgewezen.
- Vader niet-ontvankelijk verklaard in principaal hoger beroep omdat het beroepschrift geen beroepsgronden bevatte, zoals vereist op grond van artikel 359 jo. 278 lid 1 Rv.
- Verzoek moeder tot buiten toepassing verklaren van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVP) afgewezen bij gebrek aan overeenstemming tussen partijen.
- Beroep op redelijkheid en billijkheid om WVP buiten toepassing te verklaren faalde omdat de moeder de ernst van de gedragingen van de vader onvoldoende onderbouwde.
- Overlegde detentieverklaring was onvoldoende bewijs omdat daaruit niet bleek voor welke veroordeling de vader vastzat.
Samenvatting
In deze echtscheidingszaak stonden een vader en een moeder tegenover elkaar bij het Gerechtshof Den Haag. De vader was in hoger beroep gegaan tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam over de omgangsregeling en het ouderlijk gezag. De moeder had op haar beurt een eigen, zogenoemd incidenteel hoger beroep ingesteld over de verdeling van pensioenrechten.
Het hof begon met een formele beoordeling van het hoger beroep van de vader. Daarin stuitte de vader direct op een juridische drempel: zijn beroepschrift voldeed niet aan de wettelijke eisen. Volgens de wet moet een beroepschrift duidelijk vermelden op welke gronden de appellant de bestreden uitspraak aanvecht. De vader had echter nagelaten om inhoudelijke bezwaren te formuleren. Die gronden waren ook niet af te leiden uit de stukken van de eerste aanleg of de bestreden beschikking. Het hof verklaarde de vader daarom niet-ontvankelijk: zijn hoger beroep werd zonder inhoudelijke behandeling afgewezen.
Vervolgens behandelde het hof het incidenteel hoger beroep van de moeder. Zij wilde dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVP) buiten toepassing zou worden verklaard. Op grond van die wet heeft een ex-partner recht op een deel van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen van de ander. De moeder verzette zich daar heftig tegen. Zij stelde dat de vader zich had schuldig gemaakt aan gewelds- en zedendelicten jegens haar, en dat het voor haar onverteerbaar was dat hij zou kunnen meeprofiteren van het pensioen dat zij had opgebouwd. Ook gaf zij aan alle banden met de vader te willen verbreken.
Het hof wees dit verzoek echter af. Voor het uitsluiten van de WVP zijn maar twee mogelijkheden: partijen kunnen onderling overeenkomen de wet niet toe te passen, of de toepassing ervan is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Aan de eerste mogelijkheid was niet voldaan, omdat de vader weigerde in te stemmen met uitsluiting. Aan de tweede mogelijkheid voldeed de moeder ook niet, omdat zij haar stellingen onvoldoende had onderbouwd. Zij had weliswaar een detentieverklaring van de vader overgelegd, maar daaruit bleek niet voor welk vergrijp hij was veroordeeld. Ook over de ernst van zijn gedragingen verschafte zij te weinig informatie. Het hof oordeelde daarmee dat de moeder haar verzoek niet genoeg had onderbouwd om de hoge drempel voor het buiten toepassing verklaren van de WVP te halen.
Het eindresultaat was dat de vader zijn hoger beroep verloor vanwege een procedurefout, en de moeder haar wens om de pensioenverevening te omzeilen niet gerealiseerd zag. De eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd op het punt van de pensioenrechten bekrachtigd.
Betrokken advocaten
mr. H.A. Schenke
vader
mr. D. Koeslan-van Walsum
moeder
mr. A. Vijftigschild
moeder
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:18706, Rechtbank Den Haag, 24-09-2025, C/09/688285 / FA RK 25-5229
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBGEL:2024:167, Rechtbank Gelderland, 15-01-2024, 427761 KG ZA 23-422
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht; Burgerlijk Procesrecht
ECLI:NL:RBAMS:2023:5197, Rechtbank Amsterdam, 20-06-2023, C/13/733628 / KG ZA 23-393
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:GHDHA:2023:602, Gerechtshof Den Haag, 05-04-2023, 200.273.775/01 en 200.274.979/01
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht; Internationaal Privaatrecht
Gegevens
Datum uitspraak
6 september 2006
Instantie
Gerechtshof Den HaagRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
312-R-06
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ1907