Uitspraak hoger beroep onderbroken: verblijf en alimentatie kinderen onbeslist — GHSHE:2023:3824
Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie na echtscheiding
Eiser / verzoeker
De moeder (verzoekster in principaal appel)
Verweerder / gedaagde
De vader (verweerder in principaal appel, verzoeker in incidenteel appel)
De uitspraak is afgebroken vóór de beslissende overwegingen en het dictum, waardoor de uitkomst van het hoger beroep niet kan worden vastgesteld.
- De rechtbank bepaalde eerder dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader komt, terwijl ze vóór 2021 bij de moeder woonden; de moeder bestrijdt dit in hoger beroep.
- De vader verzoekt in incidenteel appel een gewijzigde zorgregeling waarbij de twee kinderen niet tegelijkertijd bij de moeder verblijven, en vraagt dit ook als voorlopige voorziening.
- De kinderalimentatie werd in eerste aanleg teruggebracht tot slechts €4,28 per maand; de moeder vordert €70 per kind per maand.
- De 15-jarige minderjarige heeft zijn mening gegeven in een kindgesprek met de voorzitter van het hof, conform de wettelijke hoorplicht.
- De tijdelijke overdracht van de volledige zorg aan de vader in mei 2021 wegens persoonlijke problemen bij de moeder vormt de kern van het geschil over de feitelijke en juridische situatie.
Samenvatting
Een gescheiden stel uit Brabant vocht in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over drie onderwerpen: waar de twee kinderen (een 15-jarige en een 10-jarige) hun hoofdverblijf zouden hebben, hoe de zorgregeling eruit moest zien, en hoeveel kinderalimentatie de vader moest betalen.
De achtergrond van het conflict is als volgt. Na de scheiding in 2018 woonden de kinderen bij de moeder, met een standaard omgangsregeling bij de vader. In mei 2021 kwamen de kinderen tijdelijk volledig bij de vader te wonen omdat de moeder door persoonlijke problemen rondom een turbulente relatiebreuk niet voor hen kon zorgen. Nadat het beter ging met de moeder, bouwde het contact met haar weer op. Maar de vader weigerde terug te keren naar de oorspronkelijke situatie. Uiteindelijk groeide de regeling uit tot een min of meer gelijke verdeling van de zorgtaken.
De rechtbank in eerste aanleg had in maart 2023 bepaald dat het hoofdverblijf voortaan bij de vader zou zijn, met een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen de ene week bij vader en de andere bij moeder verbleven. De kinderalimentatie werd op een symbolisch bedrag van ruim vier euro per maand gesteld.
De moeder ging in hoger beroep en eiste dat het hoofdverblijf bij haar zou blijven en dat zij alimentatie van zeventig euro per kind per maand zou ontvangen. Zij voerde aan dat de onderbreking van de zorg slechts vijf maanden had geduurd en dat het daarna snel weer goed met haar ging. Bovendien verblijven de kinderen in de praktijk vaker bij haar dan bij de vader. Zij benadrukte ook dat een hoofdverblijf bij haar financieel gunstiger uitpakt, omdat zij als minstverdienende ouder aanspraak kan maken op hogere kinderbijslag en toeslagen.
De vader stelde in zijn eigen incidenteel hoger beroep dat de zorgregeling anders moest worden ingericht: de kinderen zouden niet op hetzelfde weekend bij de moeder mogen zijn, maar ieder in een apart weekend. Dit verzoek deed hij ook als spoedmaatregel bij wijze van voorlopige voorziening.
Het hof heeft beide zaken gezamenlijk behandeld. De 15-jarige zoon sprak afzonderlijk met de voorzitter om zijn mening te geven, zonder dat zijn ouders daarbij aanwezig waren.
De uitspraak beoordeelt alle verzoeken van beide ouders op het gebied van hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie. De beschikking van het hof dateert van 16 november 2023.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOVE:2025:6732, Rechtbank Overijssel, 19-11-2025, C/08/340072 / FA RK 25-2710
Rechtbank Overijssel · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:8121, Rechtbank Amsterdam, 24-09-2025, 11730427 \ CV EXPL 25-7879
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:GHARL:2025:5288, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-08-2025, 200.348.061/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHSHE:2025:1867, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-07-2025, 200.339.299_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
16 november 2023
Instantie
Gerechtshof 's-HertogenboschRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
200.327.681_01 en 200.327.681_02
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2023:3824