Hof beveelt gevangenneming na veroordeling doodslag, schorst hechtenis voor lopende straf — GHSHE:2026:933
voorlopige hechtenis / gevangenneming na veroordelend arrest doodslag
Eiser / verzoeker
Advocaat-generaal (Openbaar Ministerie)
Verweerder / gedaagde
Verdachte (veroordeeld wegens doodslag)
Het hof wijst de gevangenneming toe maar schorst de voorlopige hechtenis onmiddellijk ter fine van executie van de reeds onherroepelijke gevangenisstraf, met de voorwaarde dat de hechtenis herleeft bij verlof, strafonderbreking of detentiefasering.
- Gevangenneming is rechtmatig ook als eerder geen voorlopige hechtenis was bevolen; de wet verzet zich hier niet tegen.
- Het hof baseert de gevangenneming op de schokgrond: de samenleving zou niet accepteren dat een voor doodslag veroordeelde zijn cassatie in vrijheid afwacht.
- Recidivegrond wordt afgewezen: concrete aanwijzingen voor herhalingsgevaar ontbreken.
- Voorlopige hechtenis wordt direct geschorst zodat de tenuitvoerlegging van de andere onherroepelijke gevangenisstraf kan doorgaan.
- Hechtenis herleeft automatisch zodra verdachte in aanmerking komt voor verlof, detentiefasering of strafonderbreking.
Samenvatting
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft een verdachte, die eerder door het hof zelf was veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens doodslag, in voorlopige hechtenis geplaatst. Dit gebeurde via een zogenoemde gevangenneming, een maatregel die kan worden opgelegd nadat een rechter een veroordelend arrest heeft gewezen. De verdachte had cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad en wilde zijn verdere berechting in vrijheid afwachten.
De rechtbank Oost-Brabant had de verdachte in juni 2024 nog vrijgesproken, maar het hof veroordeelde hem in februari 2026 alsnog voor de doodslag, die dateert uit 2018. Na die veroordeling werd in de samenleving bekend dat de verdachte de dader was van dit levensdelict. Het openbaar ministerie vorderde vervolgens zijn gevangenneming, mede omdat de verdachte mogelijk in aanmerking zou komen voor verlof of detentiefasering in het kader van een andere, al onherroepelijke gevangenisstraf van tien jaar.
De verdediging verzette zich tegen de gevangenneming. De raadsvrouw, mr. F.L.C. Schoolderman, voerde aan dat voorlopige hechtenis in een eerder stadium nooit was bevolen en dat dit nu ook niet gerechtvaardigd was. Ze betoogde dat de zogeheten schokgrond — de gedachte dat de samenleving ernstig geschokt is door een misdrijf — na jaren niet meer kan worden ingeroepen. Ook wees ze erop dat van acuut recidivegevaar geen sprake was, nu de verdachte al vastzat voor de andere zaak en zijn straf daarin pas in 2029 afloopt.
Het hof verwierp het verweer dat de advocaat-generaal niet-ontvankelijk zou zijn. Volgens het hof biedt de wet de mogelijkheid om ook ná een veroordelend arrest gevangenneming te vorderen, zelfs als eerder geen voorlopige hechtenis was opgelegd. Doorslaggevend voor het hof was dat de veroordeling voor doodslag — een misdrijf waarop wettelijk twaalf jaar of meer staat — inmiddels publiekelijk bekend was geworden. Het zou in strijd zijn met maatschappelijke opvattingen over rechtvaardigheid als de veroordeelde zijn cassatieprocedure in vrijheid zou mogen afwachten. Het hof wees de recidivegrond overigens af: concrete aanwijzingen voor herhalingsgevaar ontbraken.
Tegelijk besloot het hof de voorlopige hechtenis onmiddellijk te schorsen, zodat de tenuitvoerlegging van de andere, al onherroepelijke gevangenisstraf gewoon kan doorgaan. De verdachte zit daarvoor al vast, en het hof oordeelde dat het belang van de voortgang van die strafexecutie zwaarder weegt dan het belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis in de doodslagzaak. Het hof verbond daar wel een stevige voorwaarde aan: zodra de verdachte in aanmerking komt voor verlof, strafonderbreking of detentiefasering — of om welke reden dan ook vrijkomt — herleeft de voorlopige hechtenis onmiddellijk. Op die manier wordt voorkomen dat de verdachte ooit volledig op vrije voeten komt zolang zijn cassatieprocedure loopt.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOBR:2026:473, Rechtbank Oost-Brabant, 29-01-2026, 01/018712-22+
Rechtbank Oost-Brabant · Strafrecht
ECLI:NL:RBLIM:2025:12502, Rechtbank Limburg, 16-12-2025, 03/024548-21
Rechtbank Limburg · Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2025:3383, Rechtbank Overijssel, 26-05-2025, 08.278086.24 (hoofdzaak), 08-277915-24 (gevoegd) en 08-278139-24 (gevoegd) (P)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:10960, Rechtbank Gelderland, 24-04-2025, 213743.22
Rechtbank Gelderland · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 april 2026
Instantie
Gerechtshof 's-HertogenboschRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
20-001869-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:933