ECLI:NL:HR:2015:661, Hoge Raad, 20-03-2015, 13/04831 — HR:2015:661
Samenvatting
Onteigening vermogensbestanddelen en effecten SNS Reaal en SNS Bank. Verzoek tot vaststelling schadeloosstelling, art. 6:8-10 Wft. Recht op volledige vergoeding van de schade, werkelijke waarde onteigende vermogensbestanddeel of effect. Formele rechtskracht onteigeningsbesluit. Betekenis overwegingen ABRvS in uitspraak over rechtmatigheid onteigeningsbesluit voor vaststelling schadeloosstelling; duaal stelsel Wft. Motiveringseisen voor aanbod schadeloosstelling minister? Zelfstandig oordeel Ondernemingskamer Maatstaf waardebepaling onteigende vermogensbestanddelen en effecten, art. 6:9 lid 1 Wft. Peilmoment; te verwachten toekomstperspectief; prijs die zou zijn overeengekomen tussen redelijk handelde partijen (‘meest biedende gegadigde’?). Strekking art. 6:8 en 6:9 Wft. Al dan niet in aanmerking te nemen omstandigheden: hoedanigheid van systeemrelevante financiële instelling, dwangpositie Minister; SREP-besluit van DNB; relatieve betekenis beurskoers; waardeverhogend effect verleende staatssteun (art. 6:9 lid 2 Wft). Achterstelling van onteigende vorderingen. Betekenis oordeel ABRvS over achterstelling. Doorwerking 403-verklaring SNS Reaal op waarde achtergestelde vorderingen. Zijn crediteuren van achtergestelde vorderingen op SNS Bank bij aanspraak op grond van 403-verklaring SNS Reaal ook als achtergesteld te beschouwen ten opzichte van de concurrente crediteuren van SNS Reaal? Uitleg 403-verklaring naar objectieve maatstaven. Verplichtingen SNS Reaal uit hoofde van 403-verklaring; beginsel van gelijkheid van crediteuren (art. 3:277 lid 1 BW). Uitleg overeenkomst van achterstelling tussen crediteuren en SNS Bank (art. 3:277 lid 2 BW), invloed op verhaalspositie crediteuren ten opzichte van derde (SNS Reaal). Aard achterstellingsbeding. Invloed van (uit voldoening van andere 403-vorderingen voortvloeiende) regresvorderingen van SNS Reaal op SNS Bank; art. 6:11 BW. Deskundigenbericht, aan deskundige te verstrekken informatie, medewerkingsplicht partijen, art. 198 lid 3 Rv (HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5626 en BB3676, NJ 2010/542 en 543). Kosten van door belanghebbenden ingeschakelde deskundigen: geen schade in de zin van art. 6:8 lid 1 Wft, maar kosten van het geding in de zin van art. 6:11 lid 4 Wft; redelijkheidstoets, rechtspraak art. 50 lid 4 Ow. Verzuim OK om te beslissen met betrekking tot bepaalde obligaties.
Betrokken advocaten
mr. R.L. de Graaff
verweerder
mr. R.F. Thunnissen
verweerder
mr. E. van Staden ten Brink
verweerder
mr. L. Kelkensberg
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:PHR:2025:1089, Parket bij de Hoge Raad, 10-10-2025, 24/03640
Parket bij de Hoge Raad · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:HR:2025:757, Hoge Raad, 16-05-2025, 24/00570
Hoge Raad · Civiel Recht
ECLI:NL:HR:2024:1143, Hoge Raad, 06-09-2024, 23/02380
Hoge Raad · Civiel Recht
ECLI:NL:PHR:2024:567, Parket bij de Hoge Raad, 24-05-2024, 23/02556, 23/02541
Parket bij de Hoge Raad · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
20 maart 2015
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
13/04831
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:661