ECLI:NL:HR:2023:1462, Hoge Raad, 17-10-2023, 21/05226 — HR:2023:1462
Samenvatting
Diamantroof op Schiphol in 2005. Medeplegen diefstal met geweld en medeplegen poging tot diefstal met geweld, art. 312.2 (jo. 45) Sr. Post-Keskin. Gebruik voor het bewijs van uitlatingen van medeverdachte in OVC-gesprekken onverenigbaar met art. 6 EVRM, nu verdediging door beroep op verschoningsrecht geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad medeverdachte te ondervragen t.a.v. die uitlatingen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 m.b.t. beoordeling van verzoeken tot oproepen en horen van getuigen door feitenrechter in situatie dat zo’n verzoek betrekking heeft op getuige t.a.v. wie verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al (in vooronderzoek of anderszins) verklaring heeft afgelegd met belastende strekking. HR herhaalt ook relevante overwegingen uit HR:2021:1418 inhoudende dat voor beoordeling of wordt voldaan aan eisen van eerlijk proces, het gewicht van betreffende getuigenverklaring in bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor is. HR voegt daaraan toe dat daaraan niet afdoet dat ook aanwezigheid van goede reden voor het niet kunnen ondervragen van getuige en bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Bij uitlatingen in OVC-gesprekken gaat het niet om een door getuige (in vooronderzoek of anderszins) afgelegde verklaring met belastende strekking a.b.i. HR:2021:576. Maar ook t.a.v. bewijsmateriaal waarin uitlatingen zijn opgenomen die niet als zo’n getuigenverklaring kunnen worden aangemerkt, geldt dat ex art. 6 EVRM aan verdachte het recht toekomt om authenticiteit en betrouwbaarheid van dat bewijs te betwisten en zich tegen gebruik ervan te verzetten (vgl. EHRM Jalloh/Duitsland). Van verdediging mag in die situatie worden verwacht dat zij het nodige initiatief neemt voor (doen) verrichten van (nader) onderzoek naar die authenticiteit en betrouwbaarheid, bijvoorbeeld door verzoek te doen persoon die dergelijke uitlatingen heeft gedaan, als getuige te horen. Daarbij mag van verdediging worden verlangd dat zij toelicht in welk opzicht zij uitlatingen betwist en waarin haar belang bij verzocht onderzoek is gelegen. In het geval dat verdediging ondanks dit nodige initiatief beperkingen heeft ondervonden in mogelijkheid om authenticiteit en betrouwbaarheid van bewijs te betwisten (bijvoorbeeld omdat persoon die betreffende uitlatingen heeft gedaan, niet kan worden gehoord als getuige) moet worden beoordeeld of gebruik van dergelijke uitlatingen voor bewijs in overeenstemming is met het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op eerlijk proces en daaraan verbonden notie van ‘overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling komt betekenis toe aan aard van uitlatingen, door verdediging verstrekte toelichting op haar betwisting van uitlatingen en haar belang bij verzocht onderzoek, reden waarom door verdediging verzocht onderzoek niet kan worden uitgevoerd, gewicht van uitlatingen (binnen geheel van resultaten van strafvorderlijk onderzoek) voor bewezenverklaring van feit en bestaan van compenserende factoren voor ontbreken van mogelijkheid om betreffend bewijs te kunnen betwisten. ’s Hofs oordeel dat gebruik van uitlatingen van medeverdachte voor bewijs in overeenstemming is met art. 6 EVRM, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Hof heeft immers in aanmerking genomen dat medeverdachte in uitlatingen die door hem spontaan zijn gedaan tijdens OVC-gesprek, verdachte heeft genoemd als één van de personen die betrokken was bij diamantroof en poging daartoe, maar dat die betrokkenheid van verdachte ook uit ander bewijs kan worden afgeleid. Daarbij heeft hof tevens betrokken dat een geldige reden bestond dat medeverdachte niet kon worden ondervraagd en dat compensatie is geboden voor de door verdediging ondervonden beperkingen bij onderzoek naar betrouwbaarheid van uitlatingen van medeverdachte, terwijl hof ook zelf die betrouwbaarheid heeft onderzocht. Volgt verwerping. Samenhang met 21/05218, 21/05232, 21/05272 en 21/05339.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:482, Hoge Raad, 24-03-2026, 24/04507
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:1702, Hoge Raad, 18-11-2025, 25/00055
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:1197, Hoge Raad, 26-08-2025, 24/03182
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:451, Hoge Raad, 25-03-2025, 25/00203
Hoge Raad · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
17 oktober 2023
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
21/05226
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1462