ECLI:NL:HR:2025:1118, Hoge Raad, 08-07-2025, 23/03272 — HR:2025:1118
Samenvatting
Diefstal d.m.v. aannemen valse hoedanigheid (art. 311.1.5 Sr) door via babbeltruc woning slachtoffer binnen te treden. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft niet vastgesteld dat b.p. geestelijk letsel heeft opgelopen. Inzake aard en ernst van normschending heeft hof vastgesteld dat sprake is van ‘diefstal, waarbij schuldige zich toegang tot plaats van misdrijf heeft verschaft d.m.v. aannemen van valse hoedanigheid’. Wat gevolgen betreft heeft hof vastgesteld dat kluis met geld en sieraden zijn weggenomen, dat b.p. ‘gevoelens van angst, schuld en wantrouwen (heeft) bekomen’, dat zij een alarmknop heeft gekregen en dat zij geen onbekenden meer durft toe te laten in haar woning. Die vaststellingen zijn niet toereikend om aan te nemen dat b.p. ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast, in aanmerking genomen dat in HR:2019:1465 is overwogen dat ‘niet is uitgesloten’ dat inbraak in woning ‘dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor aannemen van aantasting in persoon’. Deze formulering duidt op regel waarop in bijzondere omstandigheden uitzondering mogelijk is. Gevolgen die diefstal (zonder geweld) in onderhavige zaak voor b.p. heeft gehad, zijn niet dermate ingrijpend (en van gebruikelijke gevolgen afwijkend) dat zij uitzondering op regel rechtvaardigen. Mede in licht van HR:2019:793 en op wat ter onderbouwing van vordering b.p. tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 is aangevoerd, moet worden aangenomen dat hernieuwde behandeling van zaak na vernietiging door HR teneinde uitsluitend hierover opnieuw te oordelen, onevenredige belasting van strafgeding oplevert. HR doet zaak zelf af en bepaalt dat bedrag waarvoor vordering b.p. is toegewezen € 20.000 bedraagt en dat schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag, verklaart t.a.v. schadevergoedingsmaatregel dat o.g.v. 6:4:20 Sv gijzeling van 135 dagen kan worden toegepast, en verklaart b.p. voor het overige n-o in haar vordering.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2025:847, Hoge Raad, 10-06-2025, 23/00312
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:793, Hoge Raad, 27-05-2025, 22/04459
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:451, Hoge Raad, 25-03-2025, 25/00203
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:94, Hoge Raad, 21-01-2025, 22/02939
Hoge Raad · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 juli 2025
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
23/03272
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1118