Juristi.nl
ECLI:NL:HR:2025:805Strafrecht

ECLI:NL:HR:2025:805, Hoge Raad, 27-05-2025, 23/00607 — HR:2025:805

Samenvatting

Diefstal van telefoon, art. 310 Sr. Post-Keskin. Heeft hof verklaringen van aangever voor bewijs kunnen gebruiken, terwijl verdediging t.a.v. die getuige niet ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 en HR:2021:1418 m.b.t. gevallen waarin rechter voor bewijs gebruik wil maken van een door getuige afgelegde verklaring, terwijl verdediging niet behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om t.a.v. getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen en vraag of proces als geheel eerlijk is verlopen, en uit HR:2017:1016 m.b.t. vraag of bewezenverklaring in beslissende mate steunt op verklaring van niet door verdediging ondervraagde getuige. Hof heeft (onder verwijzing naar HR:2019:123) overwogen dat voor bewijs gebruikte verklaringen van aangever niet hebben te gelden als “sole or decisive”, maar als verklaringen van “significant weight”, en dat omstandigheid dat verdediging aangever niet heeft kunnen ondervragen en dat haar daarvoor geen compensatie is geboden, daarom niet in de weg staat aan gebruik van verklaringen van aangever voor bewijs. Gelet op rechtspraak van HR van na 2019, is echter voor vraag of compensatie moet worden geboden, niet van doorslaggevend belang of verklaring van getuige als “sole or decisive” geldt, dan wel van “significant weight” is. Bepalend is gewicht van verklaring in bewijsconstructie, waarbij geldt dat naarmate gewicht van verklaring van getuige groter is, het (wil verklaring voor bewijs kunnen worden gebruikt) des te meer van belang is dat goede reden bestaat voor niet bieden van ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. In zoverre getuigt oordeel van hof van onjuiste rechtsopvatting. Dit leidt echter niet tot cassatie. Met zijn overweging dat het, na toewijzing door hof van verzoek van verdediging om aangever als getuige te horen, ondanks inspanningen van kabinet Rh-C niet tot verhoor van aangever is gekomen, heeft hof kennelijk (en in cassatie onbestreden) geoordeeld dat sprake was van “good reason for the absence of the witness” (vgl. EHRM nr. 9154/10, Schatschaschwili/Duitsland). Verder heeft hof, i.v.m. zijn overweging dat voor bewijs gebruikte verklaringen van aangever niet hebben te gelden als “sole or decisive”, maar als verklaringen van “significant weight”, vastgesteld dat die verklaringen op belangrijke onderdelen steun vinden in ander bewijsmateriaal. Hof heeft daarbij i.h.b. gewezen op het door politie van aangever verkregen signalement van dader van diefstal en omstandigheid dat verdachte vervolgens (ongeveer 45 minuten na diefstal) is aangetroffen met telefoon van aangever in zijn broekzak. Hierover heeft hof vastgesteld dat telefoon was gelokaliseerd via “find my iPhone” en dat telefoon geluidssignaal afgaf vanuit broekzak van persoon die voldeed aan het door aangever opgegeven signalement: verdachte. Met deze vaststellingen en oordelen heeft hof tot uitdrukking gebracht dat bewijsvoering voldoende steunbewijs bevat voor verklaringen van aangever en dat in die bewijsvoering compenserende factoren besloten liggen, die compensatie bieden voor ontbreken van ondervragingsgelegenheid doordat zij steun geven aan betrouwbaarheid van verklaringen van aangever. Dat oordeel – waarin besloten ligt dat “the proceedings as a whole were fair” (vgl. EHRM nr. 9154/10, Schatschaschwili/Duitsland) – getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt HR in aanmerking dat uit de voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte kan worden afgeleid dat hij aangever in betreffende nacht heeft gezien, en dat hof verklaring van verdachte dat hij telefoon op straat heeft gevonden (en dus niet heeft gestolen), als ongeloofwaardig terzijde heeft kunnen schuiven. Volgt verwerping.

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 mei 2025

Instantie

Hoge Raad

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

23/00607

Procedure

Cassatie

ECLI

ECLI:NL:HR:2025:805

Bekijk op rechtspraak.nl