ECLI:NL:HR:2026:179, Hoge Raad, 13-02-2026, 24/00336 — HR:2026:179
Samenvatting
Witwassen van woning, art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten criminele herkomst van de in woning geïnvesteerde geldbedragen en wetenschap van verdachte. 2. Motivering opgelegde geldboete (€ 50.000). HR maakt n.a.v. CAG opmerkingen over oplegging van geldboete die (mede) strekt tot ‘afroming’ (ontneming) van het door verdachte i.v.m. bewezenverklaard feit verkregen voordeel. Is geldboete die mede strekt tot ‘afroming’ van het door bewezenverklaard feit verkregen voordeel toegestaan? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft kunnen oordelen dat in 2001 vastgestelde WOZ-waarde van woning geen irreële overschatting was van marktwaarde van woning op dat moment. Verder heeft hof o.b.v. algemene ervaringsregels mogen aannemen dat verdachte in haar hoedanigheid van eigenaar en gebruiker van pand rechtstreeks betrokken is geweest bij belangrijke beslissingen omtrent verbouwing en inrichting ervan en enig inzicht had in hoe investering in haar pand werd gefinancierd. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:975 m.b.t. ruime straftoemetingsvrijheid van feitenrechter. Bij keuze voor oplegging van geldboete en bij bepalen van hoogte daarvan mag rechter verschillende factoren betrekken, zoals aard en ernst van feit alsook gevolgen van delict. Daarbij kan feitenrechter ook betekenis toekennen aan omstandigheid dat verdachte met bewezenverklaard feit financieel voordeel heeft behaald, en/of aan omstandigheid dat verdachte bewezenverklaard feit heeft begaan met oog op behalen van dat voordeel. Ook staat geen rechtsregel eraan in de weg dat rechter de hoogte van geldboete (mede) bepaalt aan de hand van omvang van het uit bewezenverklaard feit verkregen voordeel (vgl. HR:2012:BW3684 en HR:2019:594). Als feitenrechter deze factor betrekt bij bepalen van hoogte van de op te leggen geldboete, moet uitspraak in voldoende mate inzicht bieden in wijze waarop omvang van het uit bewezenverklaard feit verkregen voordeel is geschat. Dit is i.h.b. van belang als rechter met oplegging van geldboete beoogt (deel van) uit bewezenverklaard feit verkregen voordeel te ontnemen. Voorkomen moet immers worden dat hetzelfde voordeel dubbel wordt ontnomen, eerst via opgelegde geldboete en daarna via oplegging van ontnemingsmaatregel (vgl. HR:2016:874 en HR:2020:1211). Motiveringsplicht van art. 359.5 Sv om ‘i.h.b. redenen op te geven die straf hebben bepaald’ strekt mede ertoe te waarborgen dat rechter in uitspraak hiervoor genoemd inzicht biedt. Voor beoordeling van begrijpelijkheid van oplegging van geldboete en wijze waarop daarbij in voorkomend geval omvang van het uit bewezenverklaard feit verkregen voordeel is betrokken, is o.m. van belang wat op zitting aan de orde is gesteld en wat uit bewijsvoering en strafmotivering blijkt over (vermoedelijke) omvang van dat voordeel en daarvoor relevante f&o. Verdediging moet in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest zich over die f&o uit te laten. I.v.m. mogelijk op strafzaak volgende ontnemingszaak merkt HR op dat reparatoir karakter van ontnemingsmaatregel meebrengt dat onder ‘uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van geldbedrag ter ontneming van w.v.v.’ in art. 36e.10 Sr mede wordt begrepen geldboete die (deels) is opgelegd o.g.v. overweging dat met voldoening van geldboete (deel van) w.v.v. aan betrokkene komt te ontvallen. Rechter in ontnemingsprocedure houdt daarom bij vaststelling van betalingsverplichting rekening met oplegging van (dit deel van) zo’n geldboete. Als rechter in strafzaak niet heeft voorzien in een op dit punt adequate strafmotivering, maar rechter in ontnemingszaak (gelet op hoogte van opgelegde geldboete of anderszins) aanleiding heeft te veronderstellen dat sprake is van geldboete die (mede) ter ‘afroming’ van het door bewezenverklaard feit verkregen voordeel dient, dan is rechter in ontnemingsprocedure gehouden (in matigende zin) rekening te houden met die boeteoplegging bij vaststelling van betalingsverplichting. Opvatting dat oplegging van geldboete die mede strekt tot ‘afroming’ van het door bewezenverklaard feit verkregen voordeel niet is toegestaan, is gelet op wat hiervoor is vooropgesteld onjuist. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. motivering opgelegde geldboete. Samenhang met 23/01961 en 23/01964.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:378, Hoge Raad, 10-03-2026, 24/00693
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:1509, Hoge Raad, 14-10-2025, 23/01464
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:1551, Hoge Raad, 14-10-2025, 22/04905
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2024:952, Hoge Raad, 02-07-2024, 23/02030
Hoge Raad · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
13 februari 2026
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
24/00336
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:179