Juristi.nl
ECLI:NL:HR:2026:383Strafrecht

ECLI:NL:HR:2026:383, Hoge Raad, 17-03-2026, 24/02483 — HR:2026:383

Samenvatting

Caribische zaak. Medeplegen vervoeren en aanwezig hebben van ruim 1.600 kg cocaïne op boot in Caribische Zee nabij Venezuela, art. 3.B en 3.C Opiumlandsverordening 1960. Afwijzing van herhaald verzoek om resultaten van onderzoek door Landsrecherche bij processtukken te voegen, art. 4.1 SvC. V.zv. middel klaagt over afwijzing door hof op tz. van 8-2-2024 van het op tz. van 18-1-2024 gedane verzoek tot voeging van stukken, kan het niet tot cassatie leiden omdat na die afwijzing het onderzoek ttz. opnieuw is aangevangen wegens gewijzigde samenstelling van hof en betreffende beslissing daardoor niet in stand is gebleven (vgl. HR:2010:BL8797). Verzoek dat namens verdachte is gedaan om stukken van onderzoek van Landsrecherche in dossier te voegen, is door hof opgevat als verzoek tot voeging van (proces)stuk a.b.i. art. 371 SvC. Maatstaf bij beoordeling van zo’n verzoek is o.g.v. art. 358.1 SvC of noodzaak van verzochte is gebleken. Bij nemen van zijn beslissing hierover moet rechter in aanmerking nemen dat o.g.v. art. 4.1 SvC in beginsel alle stukken aan dossier moeten worden toegevoegd die i.v.m. verdenking tegen bepaalde persoon ten behoeve van politie en justitie zijn verzameld, v.zv. zij op die persoon betrekking hebben en v.zv. zij in het verband van diens strafvervolging worden gebruikt. Daarmee heeft art. 4.1 SvC oog op stukken die voor de ttz. door rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om relevantie van die stukken (vgl. HR:2022:900). Hof heeft overwogen dat Landsrecherche een onderzoek heeft ingesteld naar feiten en omstandigheden die hebben geleid tot dood van kapitein van boot. Verder heeft hof overwogen dat uitkomst van dat onderzoek niet relevant is voor enige te nemen beslissing in strafzaak tegen deze verdachte en dat vraag of geweldsaanwending tegen kapitein onrechtmatig was a.b.i. art. 2 EVRM niet ter beoordeling van hof voorligt. Daarnaast heeft hof in zijn beschouwing betrokken dat, ook als sprake zou zijn van normschending tegen kapitein, het niet verdachte is die is getroffen in belang dat overtreden norm beoogt te beschermen. Ook heeft hof overwogen dat ook overigens niet is gebleken van normschending in strafzaak van verdachte a.b.i. art. 413 SvC, waaronder schending van art. 2 of 3 EVRM. O.g.v. deze overwegingen heeft hof het verzoek om voeging van stukken van onderzoek van Landsrecherche bij processtukken afgewezen. Daarmee heeft hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat die stukken niet redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de door hof te nemen beslissingen. Dat oordeel getuigt tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en is (ook in het licht van wat door verdediging ter onderbouwing van verzoek naar voren is gebracht) toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat hof heeft vastgesteld dat onderzoek van Landsrecherche niet is gericht op vraag of in onderzoek naar verdachte sprake is geweest van normschendingen. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02484C en 24/02485C.

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

17 maart 2026

Instantie

Hoge Raad

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

24/02483

Procedure

Cassatie

ECLI

ECLI:NL:HR:2026:383

Bekijk op rechtspraak.nl