Hoge Raad verwerpt cassatie na niet-betalen griffierecht — HR:2026:525
ontvankelijkheid cassatie / niet-betaling griffierecht / belastingrecht
Eiser / verzoeker
[X] B.V.
Verweerder / gedaagde
niet vermeld (belastingzaak)
Het beroep in cassatie van [X] B.V. is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van griffierecht.
- Griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende brief
- Digitale kennisgeving via het dossier en e-mail geldt als ontvangen op de dag van verzending (artikel 8:36c lid 2 Awb)
- Geen reactie van belanghebbende op de gelegenheid om uitleg te geven over het uitblijven van betaling
- Beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb
Samenvatting
Een bedrijf dat in cassatie wilde gaan bij de Hoge Raad heeft zijn eigen zaak op het spel gezet door simpelweg het griffierecht niet te betalen. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Het bedrijf, aangeduid als [X] B.V., had cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag uit april 2025. Om een cassatieprocedure te kunnen voeren, moet een partij griffierecht betalen: een vergoeding voor de behandeling van de zaak door de rechter.
De griffier van de Hoge Raad stuurde het bedrijf in juni 2025 per aangetekende brief een herinnering met daarin een betalingstermijn van vier weken. Uit de Track & Trace-gegevens van PostNL bleek dat die brief daadwerkelijk was afgeleverd op het opgegeven adres. Toch bleef betaling uit.
Daarop plaatste de griffier in juli 2025 een bericht in het digitale dossier van het bedrijf, met de vraag waarom het griffierecht niet was voldaan. Tegelijkertijd werd een e-mailnotificatie verstuurd naar het door het bedrijf zelf opgegeven e-mailadres. De Hoge Raad neemt op grond van de wet aan dat het bericht daarmee op 22 juli 2025 is ontvangen. Het bedrijf reageerde echter niet.
Nu het griffierecht ondanks alle waarschuwingen onbetaald bleef en het bedrijf geen verklaring gaf, liet de Hoge Raad geen ruimte voor verdere behandeling van de zaak. Het beroep in cassatie werd niet-ontvankelijk verklaard, wat betekent dat de Rechtbank Den Haag-uitspraak waartegen het was gericht, onherroepelijk is geworden.
Betrokken advocaten
A.F.M.J. Verhoeven
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:92, Hoge Raad, 23-01-2026, 24/01836
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2026:108, Hoge Raad, 23-01-2026, 24/01946
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1910, Hoge Raad, 12-12-2025, 25/02644
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1908, Hoge Raad, 12-12-2025, 25/02636
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
25/01873
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:525