Hoge Raad verwerpt cassatie over navorderingsaanslagen 2013-2016 — HR:2026:544
belastingrecht / inkomstenbelasting / navorderingsaanslagen en boetes
Eiser / verzoeker
belanghebbende (X)
Verweerder / gedaagde
Staatssecretaris van Financiën
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a Wet RO, zonder inhoudelijke beoordeling.
- Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a Wet RO wegens klaarblijkelijk gebrek aan succes
- Geen inhoudelijke beoordeling van de klachten over navorderingsaanslagen IB/PVV 2013-2014 en aanslagen 2015-2016
- Boetebeschikkingen en belastingrente over alle betrokken jaren blijven in stand
- Geen proceskostenvergoeding toegekend aan de belastingplichtige
Samenvatting
Een belastingplichtige stapte naar de Hoge Raad nadat hij eerder bij de rechtbank en het gerechtshof in het ongelijk was gesteld over belastingaanslagen over de jaren 2013 tot en met 2016. Het ging om navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting over 2013 en 2014, aangevuld met reguliere aanslagen over 2015 en 2016, waarbij ook boetes en belastingrente waren opgelegd.
De zaak had een lange voorgeschiedenis: de rechtbank Den Haag had de bezwaren eerder ongegrond verklaard, waarna het gerechtshof Den Haag in oktober 2025 het hoger beroep eveneens verwierp. De belastingplichtige zag hierin aanleiding om door te procederen tot aan de hoogste belastingrechter.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en liet de procureur-generaal de gelegenheid een advies uit te brengen. Na die beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat het cassatieberoep duidelijk geen kans van slagen had. In zulke gevallen biedt de wet de mogelijkheid het beroep zonder uitgebreide motivering niet-ontvankelijk te verklaren — een zogeheten artikel 80a-afdoening. Dit is een versnelde procedure die de Hoge Raad toepast wanneer klachten evident niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak.
De belastingplichtige krijgt ook geen vergoeding van proceskosten. Het cassatieberoep is daarmee definitief van de hand gewezen, zodat de uitspraak van het gerechtshof Den Haag — en daarmee de opgelegde navorderingsaanslagen, boetes en belastingrente — in stand blijven.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:107, Hoge Raad, 23-01-2026, 25/03611
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1596, Hoge Raad, 24-10-2025, 25/02087
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1347, Hoge Raad, 19-09-2025, 25/01406
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1265, Hoge Raad, 12-09-2025, 25/01955
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
25/04290
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:544