Juristi.nl
ECLI:NL:HR:2026:550Strafrecht

Hoge Raad: beslag op motorfiets bij weigering medewerking politie terecht — HR:2026:550

strafrechtelijk beslag / beklagprocedure / verbeurdverklaring motorfiets

Eiser / verzoeker

klager (eigenaar motorfiets, geboren 1997)

VS

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie / Staat

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep; het beslag op de motorfiets blijft gehandhaafd.

  • Beklagprocedure ex artikel 552a Sv heeft summier karakter: rechter loopt niet vooruit op uitkomst strafzaak
  • Beslag op grond van artikel 94 Sv duurt voort als verbeurdverklaring niet hoogst onwaarschijnlijk is
  • Weigering medewerking aan politie kan bijdragen aan oordeel dat eigenaar bekend was of kon zijn met gebruik motorfiets voor strafbaar feit
  • Verbeurdverklaring van voorwerp dat niet aan veroordeelde toebehoort mogelijk op grond van artikel 33a lid 2 Sr indien eigenaar wetenschap of vermoeden had
  • Cassatieberoep verworpen; oordeel rechtbank toereikend gemotiveerd

Samenvatting

Een man wiens motorfiets in beslag was genomen na een politie-incident, probeerde via de rechter de teruggave van zijn voertuig af te dwingen. De Hoge Raad oordeelde dat het beslag terecht voortduurt.

Op 23 augustus 2024 werd een BMW F 900 XR in beslag genomen in verband met een strafrechtelijk onderzoek. Een onbekende bestuurder had met hoge snelheid over een fietspad gereden. Diezelfde nacht werd de motorfiets aangetroffen bij de klager, op wiens naam het voertuig ook geregistreerd stond. De man weigerde medewerking te verlenen aan de politie.

De klager diende een klaagschrift in bij de rechtbank Midden-Nederland, met het verzoek de motorfiets terug te geven. De rechtbank wees dit verzoek af. Zij oordeelde dat niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter de motorfiets later verbeurd zou verklaren. De weigering van de klager om mee te werken aan het politieonderzoek speelde hierbij een rol: daardoor kon niet worden uitgesloten dat hij wist van het gebruik van de motor voor strafbare feiten, of dat hij dit redelijkerwijs had kunnen vermoeden.

De klager stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Zijn advocaat voerde onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat verbeurdverklaring niet hoogst onwaarschijnlijk was. De Hoge Raad volgde dit betoog niet.

De Hoge Raad benadrukte dat de beklagprocedure een summier karakter heeft: de rechter kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die in de strafzaak zelf worden genomen. Het onderzoek in raadkamer vindt doorgaans plaats terwijl het strafrechtelijk onderzoek nog loopt en het dossier nog niet compleet is.

Concreet speelde artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht een centrale rol. Dat artikel bepaalt dat voorwerpen waarmee een strafbaar feit is gepleegd, verbeurd kunnen worden verklaard — ook als ze niet toebehoren aan de veroordeelde. Voorwaarde is dan wel dat de eigenaar wist van het gebruik voor het strafbare feit, of dat redelijkerwijs had kunnen vermoeden. De Hoge Raad vond het oordeel van de rechtbank dat dit scenario niet hoogst onwaarschijnlijk was, goed gemotiveerd en begrijpelijk, mede gelet op de weigering van de klager om medewerking te verlenen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep. De motorfiets blijft daarmee in beslag genomen.

Betrokken advocaten

mr. L.E.G. van der Hut

klager

Sjöcrona Van Stigt Advocaten, 'S-GRAVENHAGE

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

7 april 2026

Instantie

Hoge Raad

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

24/04461

Procedure

Cassatie

ECLI

ECLI:NL:HR:2026:550

Bekijk op rechtspraak.nl