Hoge Raad verlaagt gevangenisstraf wegens te lang cassatieproces — HR:2026:559
strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
Eiser / verzoeker
verdachte (geboren 1988)
Verweerder / gedaagde
Openbaar Ministerie
Cassatieberoep verworpen, maar straf ambtshalve verminderd van twaalf naar elf maanden en drie weken gevangenisstraf (waarvan zes maanden voorwaardelijk) wegens overschrijding van de redelijke termijn.
- Cassatieklachten van de verdachte worden alle verworpen op grond van artikel 81 RO zonder nadere motivering.
- Hoge Raad stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn in cassatie met meer dan twee jaar is overschreden.
- Gevangenisstraf verminderd van twaalf maanden naar elf maanden en drie weken als compensatie voor de termijnoverschrijding.
- Het voorwaardelijk deel (zes maanden) en de proeftijd (drie jaar) blijven ongewijzigd.
Samenvatting
Een man die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, zag zijn straf door de Hoge Raad licht verlaagd. Niet omdat hij gelijk kreeg in zijn beroep, maar omdat de behandeling van zijn zaak te lang had geduurd.
De verdachte had cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof uit december 2023. Zijn advocaten dienden meerdere klachten in over de uitspraak, maar de Hoge Raad verwierp die allemaal. Geen van de bezwaren gaf aanleiding om de veroordeling te herzien of de uitspraak van het hof te vernietigen. De Hoge Raad zag ook geen reden om uitgebreid te motiveren waarom de klachten faalden: de zaak stelde geen rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtsontwikkeling.
Toch greep de Hoge Raad ambtshalve in — dat wil zeggen: uit eigen beweging, zonder dat de verdachte daar specifiek om had gevraagd. De reden: tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak van de Hoge Raad waren meer dan twee jaren verstreken. Dat is langer dan de zogeheten redelijke termijn die het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voorschrijft. Elke verdachte heeft recht op een berechting binnen een redelijke termijn, en als die termijn wordt overschreden, moet dat in de straf tot uitdrukking komen.
De Hoge Raad paste daarom de standaardmaatstaf toe: de gevangenisstraf werd met één week verkort. In plaats van twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, bedraagt de straf nu elf maanden en drie weken, met dezelfde voorwaardelijke component en proeftijd.
De zaak illustreert een bekend patroon in het Nederlandse strafrecht: ook wanneer een cassatieberoep inhoudelijk volledig mislukt, kan een verdachte toch enig voordeel halen uit de procedure — mits de behandeling te lang duurt. De strafvermindering is in dit geval bescheiden, maar de Hoge Raad past dit mechanisme consequent toe als waarborg voor het recht op een voortvarende berechting.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2025:8553, Rechtbank Amsterdam, 11-11-2025, 13/182955-23
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:GHARL:2025:6450, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20-10-2025, 21-003552-23
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:7675, Rechtbank Amsterdam, 16-10-2025, Eftermid
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:GHARL:2025:6235, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-10-2025, 21-005125-24
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
7 april 2026
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
23/04884
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:559