Hoge Raad vernietigt verlaging proceskostenvergoeding in belastingzaak — HR:2026:88
proceskostenvergoeding bij immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn (belasting van personenauto's en motorrijwielen)
Eiser / verzoeker
[X] B.V. (belanghebbende)
Verweerder / gedaagde
Staatssecretaris van Financiën en de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid)
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof voor zover het de proceskostenvergoeding in het nadeel van de BV had verlaagd, stelt deze opnieuw vast op €934, en houdt de beslissing over de cassatiekosten aan in afwachting van nadere informatie.
- Het hof mocht de proceskostenvergoeding niet ambtshalve in het nadeel van de BV verlagen (minder punten en lagere wegingsfactor) als de Staat dat niet had gevraagd
- De juiste vergoeding voor de beroepsfase bedraagt €934, berekend op basis van twee punten en wegingsfactor 0,5
- De beslissing over de proceskosten in cassatie wordt aangehouden omdat onderzocht moet worden of de BV recht heeft op het verhoogde tarief onder de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
Samenvatting
Een BV die een naheffingsaanslag voor de belasting op personenauto's en motorrijwielen had ontvangen, verloor inhoudelijk de belastingprocedure tot en met het gerechtshof. Toch leidde de zaak tot een cassatieprocedure bij de Hoge Raad — niet over de belasting zelf, maar over een ogenschijnlijk technisch detail: hoeveel proceskostenvergoeding de BV moest krijgen omdat de rechtbank te lang had gedaan over haar uitspraak.
Dat klinkt als een kleinigheid, maar de discussie onthult een principieel punt over de grenzen van de rechterlijke bevoegdheid. Toen de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in 2022 uitspraak deed, had de procedure al te lang geduurd. De rechtbank kende de BV daarom een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de zogenoemde redelijke termijn, en daarbij ook een vergoeding van proceskosten van €541. De BV ging in hoger beroep, uitsluitend om te klagen dat het bedrag per punt te laag was berekend.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch gaf de BV op dat punt gelijk: de rechtbank had inderdaad een verkeerd tarief gehanteerd. Maar vervolgens deed het hof iets wat de BV tegen de borst stuitte: terwijl het de vergoeding opnieuw berekende met het juiste tarief, verlaagde het hof tegelijkertijd zowel het aantal punten (van twee naar één) als de wegingsfactor (van 0,5 naar 0,25). Per saldo kreeg de BV daardoor een lágere vergoeding dan de rechtbank had toegekend, namelijk €218,75 in plaats van €541.
De BV trok dit aan bij de Hoge Raad. Die geeft de BV gelijk op dit cruciale punt. De redenering is helder: in het hoger beroep had de BV uitsluitend geklaagd over de hoogte van het tarief per punt. De Staat had het door de rechtbank vastgestelde aantal punten en de wegingsfactor niet aangevochten, en had ook niet betoogd dat die naar beneden bijgesteld moesten worden als het tarief omhoog zou gaan. In zo'n situatie mag een rechter de vergoeding niet ambtshalve in het nadeel van de BV aanpassen. Het hof had daarmee de grenzen van zijn taak overschreden.
De Hoge Raad stelt de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase zelf opnieuw vast op €934, op basis van twee punten, wegingsfactor 0,5 en het huidige tarief per punt. Voor het hoger beroep veroordeelt de Hoge Raad de Staat tot een vergoeding van €1.868.
Er speelt nog een bijzondere complicatie. Eind 2023 trad een nieuwe wet in werking die de proceskostenvergoedingen in belastingzaken over onroerendezaakbelasting en bpm fors verhoogde. Voor zaken waarvan de hofuitspraak in 2024 of later werd gedaan, gelden hogere tarieven, maar daarbij moet worden beoordeeld of sprake is van een zogenoemd 'bijzonder geval' dat aanspraak geeft op het verhoogde tarief. De Hoge Raad wees op 17 januari 2025 een arrest waarin hij criteria voor zo'n bijzonder geval formuleerde.
Omdat de BV haar cassatieberoep al had ingesteld vóór dat arrest van januari 2025, kon zij niet weten dat zij nadere informatie moest aanleveren om aan te tonen of haar situatie als zo'n bijzonder geval kwalificeert. De Hoge Raad geeft haar daarom alsnog de gelegenheid aanvullende gegevens in te dienen, waarna de Staat mag reageren. De definitieve beslissing over de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de cassatieprocedure zelf wordt daarmee aangehouden.
Betrokken advocaten
H. van Dam
belanghebbende
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:60, Hoge Raad, 16-01-2026, 20/03948 bis
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1732, Hoge Raad, 21-11-2025, 22/02347
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1407, Hoge Raad, 26-09-2025, 23/03789
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:903, Hoge Raad, 13-06-2025, 23/04071
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
23 januari 2026
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
24/00878
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:88