Juristi.nl
ECLI:NL:OGEAC:2026:42Bestuursrecht

Gerecht onbevoegd in AOV-indexatiestrijd Curaçaose gepensioneerde — OGEAC:2026:42

AOV-pensioenindexering / bestuursrechtelijke bevoegdheidsverdeling

Eiser / verzoeker

Eiseres (gepensioneerde vrouw uit Curaçao)

VS

Verweerder / gedaagde

Sociale Verzekeringsbank (SVB)

Het beroep is deels niet-ontvankelijk (gerecht onbevoegd) en voor het overige ongegrond verklaard; de SVB hoeft het AOV-pensioen niet te indexeren omdat dit een bevoegdheid van de Regering is, niet van de SVB.

  • Het Gerecht verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing, omdat de SVB ten tijde van het beroep nog niet in gebreke was: vier maanden gold als redelijke beslistermijn.
  • De SVB is niet bevoegd het AOV-pensioen te indexeren; indexering is een bevoegdheid van de Regering, niet van de uitvoerende SVB.
  • Een niet in Curaçao woonachtige advocaat mag als gemachtigde optreden in Lar-procedures, omdat de Lar geen woonplaatsvereiste kent en de Advocatenlandsverordening alleen voor advocaten geldt en ouder is dan de Lar.
  • Het wettelijk verplichte karakter van indexering en de maatschappelijke impact ervan voor ruim 50.000 gepensioneerden leiden niet tot een andere bevoegdheidsverdeling.
  • Het convenant van december 2025 voorziet in een pensioenverhoging naar 1.000 gulden, jaarlijkse indexering vanaf 2027 en een eenmalige compensatie van 2.500 gulden, maar dit laat de uitkomst van de procedure ongewijzigd.

Samenvatting

Een gepensioneerde vrouw uit Curaçao vocht bij de rechter voor indexering van haar AOV-pensioen. Ze deed dat niet alleen voor zichzelf, maar ook voor naar schatting meer dan 50.000 andere gepensioneerden op het eiland die getroffen worden door het uitblijven van de wettelijk verplichte aanpassing van hun pensioen.

In augustus 2025 diende de vrouw een verzoek in bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB), met de vraag om de gemiste indexering alsnog uit te betalen en haar pensioen per direct te verhogen. Toen de SVB niet reageerde, stelde ze al in oktober 2025 beroep in bij de rechter — nog vóór de door haar zelf gestelde beslistermijn van vier maanden was verstreken. In oktober 2025 wees de SVB het verzoek alsnog af.

Voor de zitting rees eerst een voorvraag: mocht de gemachtigde van eiseres, een advocaat die in Nederland woont, haar vertegenwoordigen? De SVB betoogde van niet, omdat de Advocatenlandsverordening bepaalt dat alleen in Curaçao wonende personen als gemachtigde mogen optreden. Het Gerecht verwierp dit bezwaar. De Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar), die de procedure beheerst, stelt geen woonplaatsvereiste aan gemachtigden. Bovendien is de Advocatenlandsverordening ouder dan de Lar en zou een dergelijke beperking de laagdrempelige toegang tot de bestuursrechter ondermijnen.

Vervolgens beoordeelde het Gerecht of het beroep tegen het uitblijven van een beslissing ontvankelijk was. Dat bleek niet het geval. Het Gerecht stelde vast dat de SVB vier maanden een redelijke beslistermijn was, gelet op de complexiteit en de mogelijke maatschappelijke impact van de kwestie. De vrouw had zich in haar eigen verzoek ook al neergelegd bij die termijn. Dat een medewerker van de klantenservice telefonisch had laten weten dat er eerder een reactie zou volgen, was onvoldoende reden om eerder beroep in te stellen. Omdat de SVB op het moment van het beroep nog niet in gebreke was, kon het Gerecht dit deel van het beroep niet inhoudelijk behandelen.

De kern van de zaak draait om de vraag of de SVB bevoegd is het pensioen te indexeren. Het Gerecht oordeelde duidelijk van niet. De indexeringsplicht staat weliswaar in de wet, maar het is de Regering — niet de SVB — die over indexering beslist. De SVB voert slechts uit wat de politiek besluit. Ook de bestuursrechter kan in deze procedure geen indexering afdwingen. Dat de wet indexering verplicht stelt en de maatschappelijke gevolgen groot zijn, erkent het Gerecht, maar dat verandert niets aan de bevoegdheidsverdeling.

Tijdens de procedure speelde ook het zogenoemde nationaal convenant een rol, dat op 18 december 2025 werd gesloten tussen de overheid van Curaçao en vier organisaties van gepensioneerden. Daarin zijn afspraken gemaakt over een verhoging van de AOV-uitkering van 862 naar 1.000 gulden per 1 januari 2026, jaarlijkse indexering vanaf 2027 op basis van de inflatie — maar alleen bij economische groei van minstens twee procent — en een eenmalige compensatie van 2.500 gulden voor koopkrachtverlies tot eind 2025.

Het Gerecht verklaarde zich deels onbevoegd en wees het beroep voor het overige ongegrond. De SVB heeft het verzoek van de vrouw terecht afgewezen, omdat niet de SVB maar de Regering verantwoordelijk is voor de indexering van het AOV-pensioen. Een proceskostenveroordeling bleef achterwege.

Betrokken advocaten

mr. D. Evertsz

eiser

Evertsz law & litigation, ROTTERDAM

mr. R.A.P.H. Pols

verweerder

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 maart 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

CUR202504066

Procedure

Bodemzaak

ECLI

ECLI:NL:OGEAC:2026:42

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

SVB moet openbaarmaking AOV-indexeringsdocumenten opnieuw beoordelen
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao·27 mrt 2026
Bestuursrecht
OGEAC:2026:19
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao·27 feb 2026
Bestuursrecht
OGEAC:2026:31
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao·23 feb 2026
Bestuursrecht
OGEAC:2026:9
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao·2 feb 2026
Bestuursrecht
OGEAC:2026:10
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao·2 feb 2026
Bestuursrecht