Oplichter ontfutselde tonnen via lange reeks van leugens — PHR:2019:755
oplichting via tussenpersoon / causaliteitsvereiste artikel 326 Sr
Eiser / verzoeker
verdachte [verdachte]
Verweerder / gedaagde
Openbaar Ministerie
De Procureur-Generaal bracht conclusie uit aan de Hoge Raad over de cassatiemiddelen; er is nog geen eindbeslissing in de zaak.
- Oplichting via een tussenpersoon is mogelijk: de verdachte wordt verantwoordelijk gehouden voor afgifte van geld door derden aan wie zijn leugens indirect werden doorgegeven via [betrokkene 1].
- Het vereiste causaal verband ('bewogen') bij oplichting is aanwezig als de slachtoffers mede onder invloed van de door het oplichtingsmiddel gecreëerde onjuiste voorstelling van zaken tot afgifte zijn overgegaan, ook zonder direct contact met de dader.
- Het hof oordeelde dat de verdachte wist, althans de aanmerkelijke kans aanvaardde, dat zijn valse verhalen en stukken door [betrokkene 1] zouden worden gebruikt om derden te bewegen geld af te geven.
- De verdediging voerde aan dat de keuzes van [betrokkene 1] om derden te benaderen niet aan de verdachte konden worden toegerekend, maar het hof verwierp dit verweer op grond van de bewijsmiddelen.
- De cassatiemiddelen klagen over onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijkheid van het oordeel omtrent het bestanddeel 'bewegen' in artikel 326 Sr.
Samenvatting
Een man uit Nederland werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk, wegens meervoudige oplichting. Hij had over een periode van meerdere jaren, van 2006 tot 2014, tientallen mensen voor tonnen aan geld weten te ontfutselen door een reeks van leugens en valse verhalen.
De verdachte maakte daarbij handig gebruik van een oudere vrouw, aangeduid als [betrokkene 1], die hij had omgepraat met onzinverhalen. Hij beweerde onder meer te werken bij de Europese Unie of de NAVO, veel te moeten reizen voor zijn werk en tijdelijk niet over zijn geld te kunnen beschikken vanwege een geblokkeerde bankrekening of een negatieve BKR-registratie. Ook deed hij valse e-mails en sms-berichten de ronde als zogenaamde bewijsstukken van zijn werkgevers.
Toen de financiële mogelijkheden van de oudere vrouw zelf uitgeput raakten, benaderde zij mensen uit haar eigen kennissenkring om de verdachte financieel bij te staan. Zij vertelde daarbij de verzinsels van de verdachte door. Omdat die kennissen al decennialang bevriend waren met de vrouw en haar volledig vertrouwden, waren ze eerder geneigd geld te geven. Op die manier verkreeg de verdachte toegang tot een kring van voornamelijk oudere, kwetsbare mensen die hij op eigen kracht nooit had kunnen bereiken.
Het hof oordeelde dat de verdachte wel degelijk verantwoordelijk was voor de oplichting van al deze derden, ook al had hij hen niet altijd persoonlijk benaderd. Doorslaggevend was dat hij wist dat de vrouw zijn verhalen en valse stukken zou gebruiken om anderen over te halen geld te geven, en dat zijn opzet erop gericht was geld van derden te verkrijgen. Er was daarmee voldoende causaal verband tussen zijn bedrieglijk handelen en de afgifte van het geld door de slachtoffers.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat hij de slachtoffers had 'bewogen' tot afgifte van geld, omdat hij hen nooit rechtstreeks had benaderd en niet altijd wist wie de geldgevers waren. De cassatiemiddelen richtten zich ook tegen de motivering van de bewezenverklaring. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad bracht in zijn conclusie advies uit over hoe de Hoge Raad deze rechtsvragen zou moeten beantwoorden.
Centraal juridisch punt is de vraag of oplichting ook kan worden bewezen wanneer een tussenpersoon de misleidende mededelingen doorgeeft aan de uiteindelijke slachtoffers, die zelf nooit direct contact hadden met de verdachte. Het hof beantwoordde die vraag bevestigend: het gaat erom of de onjuiste voorstelling van zaken mede heeft geleid tot de afgifte van geld, ongeacht via hoeveel schakels die misleiding werkte.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNHO:2026:730, Rechtbank Noord-Holland, 29-01-2026, 15/032453-24
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:11301, Rechtbank Gelderland, 19-12-2025, 264831
Rechtbank Gelderland · Strafrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:11304, Rechtbank Gelderland, 19-12-2025, 264831 (GVM)
Rechtbank Gelderland · Strafrecht
ECLI:NL:GHARL:2025:7960, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-12-2025, 21-003371-24
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Strafrecht; Strafprocesrecht
Gegevens
Datum uitspraak
9 juli 2019
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
17/00380
ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:755