Juristi.nl
ECLI:NL:PHR:2026:319Strafrecht

PG adviseert Hoge Raad cocaïnesmokkel-veroordeling in stand te houden — PHR:2026:319

drugssmokkel / medeplegen invoer harddrugs / Opiumwet

Eiser / verzoeker

verdachte (geboren 1980)

VS

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie

Procureur-generaal concludeert tot verwerping van het cassatiemiddel, waarmee de veroordeling van het hof tot 12 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van cocaïne-invoer in stand zou blijven.

  • Het hof veroordeelde de verdachte voor medeplegen van cocaïne-invoer op basis van zijn aanwezigheid op Schiphol als afhaler en telefonische contacten met medeverdachten direct na het contact met de koeriers
  • De verdediging betoogt dat de betrokkenheid hooguit als voorbereiding (art. 10a Opiumwet) kan worden gekwalificeerd, nu de inhoud van de telefoongesprekken onbekend is
  • De procureur-generaal concludeert dat het hof op basis van de vastgestelde feiten voldoende bewijs had voor medeplegen en een juiste maatstaf heeft aangelegd
  • Het telefoononderzoek toonde aan dat de twee aan de verdachte gekoppelde nummers contact hadden met de al veroordeelde medeverdachte en een eerder bekende afhaler
  • Het hof gelastte naast 12 maanden gevangenisstraf ook de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf van 3 maanden

Samenvatting

Op 25 februari 2021 arriveerden twee vrouwen vanuit Curaçao op Schiphol met in totaal ruim een kilogram cocaïne verborgen op hun lichaam. Na een controle werden zij aangehouden en werkten mee aan een zogenoemde 2-gramsprocedure om hun afhaler te identificeren. Zij moesten wachten bij de AKO in het stationsgebied van Schiphol, waarna om kwart voor tien een man vanuit het treinperron naar hen toe liep en hen aansprak. Die man bleek de verdachte te zijn, geboren in 1980. Na het contact met de koeriers was hij druk aan het bellen. Ruim een half uur later werd hij aangehouden.

In eerste aanleg werd de verdachte integraal vrijgesproken, maar het gerechtshof Amsterdam veroordeelde hem op 4 april 2024 alsnog. Het hof oordeelde dat hij zich schuldig had gemaakt aan het medeplegen van de invoer van cocaïne. Daarvoor legde het hof een gevangenisstraf op van twaalf maanden, te verminderen met de tijd die hij in voorarrest had doorgebracht. Daarnaast werd een inbeslaggenomen telefoon verbeurd verklaard en gelastte het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.

De verdachte stelde dat hij naar Schiphol was gegaan na ruzie met zijn partner en de twee vrouwen puur uit flirtgedrag had aangesproken. De bij hem aangetroffen telefoon zou hij diezelfde ochtend bij een station gevonden hebben. Een tweede telefoonnummer dat aan hem werd gekoppeld, zou door meerdere personen zijn gebruikt, zodat hij niet degene zou zijn die daarmee contact had gehad met medeverdachten en de koeriers. Het hof verwierp deze verweren op basis van het telefoononderzoek: het tweede nummer werd gebruikt bij vliegticketboekingen op zijn naam en had veelvuldig contact met zijn partner.

Uit het dossier bleek dat een medeverdachte, die al onherroepelijk was veroordeeld voor zijn rol in dezelfde drugsinvoer, intensief contact had onderhouden met een van de koeriers. Die koerier stuurde hem COVID-testuitslagen, paspoortfoto's en instapkaarten. De medeverdachte vroeg ook om een foto van de twee vrouwen zodat hij zou weten hoe zij gekleed waren. De telefoon die bij de verdachte werd aangetroffen belde kort na het contact met de koeriers meerdere malen met deze medeverdachte. Ook een man die eerder, in 2017, afhaler was toen de verdachte werd aangehouden voor drugsinvoer, was in de belgeschiedenis terug te vinden.

In cassatie klaagt de verdediging dat het hof een te ruime maatstaf heeft gehanteerd voor medeplegen. Volgens de raadsman is onvoldoende vast komen te staan hoe intensief de samenwerking was, omdat de inhoud van de telefoongesprekken niet bekend is. De betrokkenheid van de verdachte zou hooguit kunnen worden gekwalificeerd als voorbereiding of bevordering van drugsinvoer in de zin van artikel 10a van de Opiumwet, niet als medeplegen van de invoer zelf.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad ziet dat anders. In zijn conclusie van 31 maart 2026 stelt hij dat het hof op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden — de aanwezigheid op de afhaalplek, het aanspreken van de koeriers, het intensieve bellen met medeverdachten direct daarna, en de eerdere vergelijkbare aanhouding — kon oordelen dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking om medeplegen aan te nemen. De conclusie strekt dan ook tot verwerping van het cassatiemiddel, wat betekent dat de veroordeling tot twaalf maanden gevangenisstraf naar het oordeel van de procureur-generaal in stand moet blijven.

Betrokken advocaten

mr. D.W.H.M. Wolters

verdachte

Wolters Strafrechtadvocaten, HOOFDDORP

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

24/01371

ECLI

ECLI:NL:PHR:2026:319

Bekijk op rechtspraak.nl