Adviseur woningcorporaties veroordeeld voor smeergeld en valsheid in geschrift — PHR:2026:343
niet-ambtelijke omkoping / valsheid in geschrift / woningcorporaties / derivaten
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie
Verweerder / gedaagde
Verdachte (financieel adviseur)
Advocaat-generaal concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het OM voor het Portaal-deel van de omkopingsveroordeling wegens verjaring; de overige middelen worden inhoudelijk besproken.
- Omkoping ten aanzien van Portaal is verjaard op 1 december 2024; OM moet niet-ontvankelijk worden verklaard voor dat deel
- Verdachte ontving verborgen fees van bemiddelingsbureau [B] terwijl hij als extern adviseur van De Woonplaats en Portaal optrad, in totaal bijna 750.000 euro
- Brief van 5 juni 2012 aan De Woonplaats, waarin verdachte ontkende vergoedingen te hebben ontvangen, vormt de grondslag voor de veroordeling wegens valsheid in geschrift
- Cassatiemiddelen bestrijden onder meer de kwalificatie als 'lasthebber', het begrip 'gift' en het causaal verband met de werkzaamheden
- Benadeelde partijen Portaal en De Woonplaats zijn door het hof niet-ontvankelijk verklaard in hun schadevergoedingsvorderingen; dit wordt in cassatie aangevochten
Samenvatting
Een financieel adviseur die woningcorporaties Portaal en De Woonplaats bijstond, ontving jarenlang verborgen betalingen van een bemiddelingsbureau terwijl hij de corporaties adviseerde over derivaatcontracten. Het gerechtshof Den Haag veroordeelde hem voor passieve niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift. De zaak komt voort uit het bredere onderzoek naar de Vestia-affaire, waarbij omkooppraktijken rond derivaatcontracten bij meerdere woningcorporaties werden ontdekt.
De verdachte was via zijn financieel adviesbureau ingehuurd als extern adviseur en lid van de treasurycommissie bij beide corporaties. Tegelijkertijd had hij een mondelinge afspraak met het bemiddelingsbureau [B]: als hij [B] introduceerde bij zijn opdrachtgevers en dat tot transacties leidde, ontving zijn bureau een deel van de vergoeding die [B] van de banken kreeg — aanvankelijk 50 procent, later 33 procent. De corporaties wisten hier niets van. In totaal ontving zijn bureau bijna 750.000 euro aan fees: ruim 494.000 euro voor transacties via Portaal en ruim 255.000 euro voor transacties via De Woonplaats.
Toen de Vestia-affaire in 2012 uitkwam en De Woonplaats navraag deed over de relatie tussen zijn bureau en [B], stuurde de verdachte een brief waarin hij stelde geen vergoeding te hebben ontvangen die direct te relateren was aan door De Woonplaats afgesloten derivaten of leningen. Deze brief was vals — vandaar de veroordeling voor valsheid in geschrift.
In de cassatieprocedure bij de Hoge Raad stelt de advocaat-generaal ambtshalve vast dat de veroordeling voor de omkoping van Portaal inmiddels is verjaard. De absolute verjaringstermijn — twee maal zes jaar — verstreek op 1 december 2024, vóórdat de Hoge Raad uitspraak doet. Het openbaar ministerie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor het Portaal-deel van de omkopingsveroordeling. De omkoping ten aanzien van De Woonplaats verjaart pas op 1 augustus 2026 en blijft dus overeind.
De namens de verdachte ingediende middelen bestrijden onder meer of hij juridisch als 'lasthebber' in de zin van de wet kan worden aangemerkt, of de ontvangen bedragen als 'giften' kwalificeren, en of er een verband bestaat tussen die betalingen en zijn werkzaamheden voor de corporaties. De benadeelde partijen Portaal en De Woonplaats klagen op hun beurt over de beslissing van het hof om hen niet-ontvankelijk te verklaren in hun schadevergoedingsvorderingen.
De advocaat-generaal concludeert dat het openbaar ministerie gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens verjaring van het Portaal-deel, terwijl de Hoge Raad zich nog moet buigen over de overige cassatiemiddelen. De opgelegde straf — een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met twee jaar proeftijd en een taakstraf van tweehonderd uur — staat daarmee nog ter discussie.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:146, Rechtbank Amsterdam, 15-01-2026, 81/311215-21
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2026:35, Rechtbank Amsterdam, 08-01-2026, 13-261856-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:10866, Rechtbank Amsterdam, 18-12-2025, 13/235907-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBDHA:2023:1255, Rechtbank Den Haag, 27-01-2023, C/09/642573 KG ZA 23/49
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
23/04749
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:343