Hoge Raad buigt zich over opgeven ondervragingsrecht demente getuige — PHR:2026:351
strafrecht — ondervragingsrecht getuige / artikel 6 EVRM / hennepteelt
Eiser / verzoeker
verdachte (geboren 1970)
Verweerder / gedaagde
Openbaar Ministerie
De Procureur-Generaal heeft conclusie genomen over de cassatiemiddelen; de Hoge Raad heeft nog geen eindarrest gewezen.
- De vraag of de raadsman namens de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het ondervragingsrecht door te verklaren niet te persisteren bij het horen van een demente getuige
- Het hof gebruikte de belastende politieverklaring van de getuige uit 2017 voor het bewijs, na de conclusie dat de verdediging het ondervragingsrecht had prijsgegeven
- De raadsheer-commissaris weigerde uitvoering te geven aan de opdracht de getuige te horen vanwege zijn dementie en de gezondheidsrisico's van een verhoor
- De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring, mede omdat de getuige mogelijk al dement was ten tijde van zijn verklaring in 2017
Samenvatting
Een man uit een niet nader genoemde geboorteplaats werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf voor het medeplegen van grootschalige hennepteelt en diefstal. In cassatie bij de Hoge Raad draait het om de vraag of zijn advocaat het recht om een belangrijke getuige te ondervragen rechtsgeldig heeft opgegeven — en of de belastende verklaring van die getuige daardoor alsnog als bewijs mocht worden gebruikt.
De getuige in kwestie, aangeduid als [getuige 1], had destijds verklaard dat hij in opdracht van de verdachte klusjes deed op het perceel waar een hennepplantage werd aangetroffen. Die verklaring was belastend omdat zij de verdachte neerzette als iemand die over het gehele terrein de baas was. De verdediging wilde hem ondervragen om dat beeld te weerleggen: had de verdachte werkelijk over alles het gezag, of slechts over een deel van het perceel?
Het hof stemde in september 2022 toe met het verzoek de getuige te horen en verwees de zaak naar de raadsheer-commissaris. Tijdens een poging tot verhoor in augustus 2023 bleek de getuige niet te zijn verschenen. Zijn echtgenote lichtte toe dat haar man aan dementie leed en die dag ook nog buikgriep had. Vervolgens stuurde de huisarts een medische verklaring: de getuige was sinds 2022 gediagnostiseerd met dementie, het beantwoorden van vragen over 2017 zou hem veel stress bezorgen en er zouden waarschijnlijk weinig bruikbare antwoorden komen.
Na ontvangst van die doktersverklaring vroeg de raadsheer-commissaris aan beide partijen of zij nog steeds wilden dat de getuige werd gehoord. Namens de verdachte liet de raadsman weten: bij deze stand van zaken hoeft de getuige niet meer te worden gehoord. Ook de advocaat-generaal zag ervan af. De raadsheer-commissaris besloot daarop de getuige niet te horen, omdat diens gezondheid en welzijn zwaarder woog dan het belang van de verdachte bij ondervraging.
Het hof concludeerde hieruit dat de verdediging haar recht op ondervraging had prijsgegeven, en gebruikte de politieverklaring van de getuige uit 2017 gewoon als bewijs. Bij pleidooi tekende de raadsman nog aan dat hij vraagtekens zette bij de betrouwbaarheid van die verklaring — de getuige was mogelijk al dement toen hij die aflegde — maar het hof ging daar niet in mee.
In cassatie klaagt de verdachte via zijn advocaten dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het ondervragingsrecht was prijsgegeven. De kern van het middel is of de mededeling van de raadsman — dat hij niet meer persisteert bij het horen van de getuige — werkelijk neerkomt op een vrijwillige en ondubbelzinnige afstand van het in artikel 6 EVRM verankerde recht om getuigen te ondervragen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft over deze vraag een conclusie uitgebracht, maar daarin is de inhoudelijke beoordeling nog niet afgerond in het gepubliceerde gedeelte van de uitspraak. De Hoge Raad moet nog definitief oordelen of het hof de belastende getuigenverklaring terecht als bewijs heeft gebruikt voor de veroordeling tot vijftien maanden gevangenisstraf.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2025:6292, Rechtbank Midden-Nederland, 24-11-2025, 16.099372.21
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:12746, Rechtbank Rotterdam, 25-09-2025, 10/067438-24
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:10094, Rechtbank Rotterdam, 18-08-2025, 83-336603-23
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:9891, Rechtbank Rotterdam, 30-07-2025, 10-227235-24
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
24/02047
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:351