Cassatie faillissement verzoeker sneuvelt op procesuele gebreken — PHR:2026:352
faillissement / cassatie faillietverklaring / ontvankelijkheid cassatiemiddelen
Eiser / verzoeker
verzoeker (natuurlijk persoon, naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Bidfood B.V.
De Procureur-Generaal adviseert het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren ex art. 80a RO wegens klaarblijkelijk gebrek aan slagingskans, waardoor het faillissement van verzoeker in stand blijft.
- De cassatieklachten voldoen niet aan de vereisten van bepaaldheid en precisie: noch rechtsklachten noch motiveringsklachten zijn toereikend geformuleerd en verwijzingen naar vindplaatsen in de gedingstukken ontbreken.
- Een deel van de klachten mist feitelijke grondslag: het hof heeft pluraliteit juist niet aangenomen op de door verzoeker genoemde gronden (niet-bestaande, verjaarde of verlaten vorderingen).
- Het cassatieberoep is mogelijk te laat ingediend (na de achtdagentermijn van art. 12 lid 1 Fw), maar deze vraag wordt in het midden gelaten omdat de inhoudelijke gebreken reeds tot verwerping leiden.
- Het hof baseerde het faillissement op drie afzonderlijke vorderingen: de Bidfood-vordering (medeschuldenaarschap), een boetebeschikking van het Ministerie SZW en een curatorsvordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:248 BW.
- De Procureur-Generaal adviseert toepassing van art. 80a RO (versnelde afdoening bij klaarblijkelijk kansloze cassatie).
Samenvatting
Een man wiens faillissement door zowel de rechtbank Amsterdam als het gerechtshof Amsterdam werd uitgesproken, probeerde via cassatie bij de Hoge Raad zijn faillissement ongedaan te maken. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad adviseerde het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren wegens klaarblijkelijke kansverlies.
Het faillissement was aangevraagd door Bidfood B.V., een leverancier die stelde een opeisbare vordering op de man te hebben. Hij had zich als medeschuldenaar verbonden voor de schulden van Brouwerij De Engel B.V. aan Bidfood. Naast deze hoofdvordering waren er meerdere steunvorderingen: het Ministerie van SZW had een vordering op basis van een boetebeschikking uit 2010, en de curator van Brouwerij De Engel B.V. had een vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid — namelijk schending van de administratie- en boekhoudplicht en het niet tijdig publiceren van jaarrekeningen. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat daarmee voldaan was aan de vereisten voor faillietverklaring.
De man diende in persoon — zonder cassatieadvocaat — zijn procesinleiding in bij de Hoge Raad, midden in de nacht van 26 februari 2026. Hij voerde veertien cassatiemiddelen aan, variërend van schending van het fair-trialbeginsel en het hoor-en-wederhoorbeginsel tot klachten over onjuiste bewijswaardering en pluraliteit van vorderingen. Ook stelde hij dat het hof vorderingen had meegewogen die niet bestonden, verjaard waren of door de wederpartij waren verlaten.
De Procureur-Generaal concludeert echter dat de klachten niet voldoen aan de minimale eisen die de wet stelt aan een cassatiemiddel. Noch de rechtsklachten noch de motiveringsklachten zijn met voldoende bepaaldheid en precisie geformuleerd. Ook ontbreken verwijzingen naar vindplaatsen in de stukken van het geding. Bovendien berust een deel van de klachten op een verkeerde lezing van het arrest: het hof heeft de pluraliteit van vorderingen juist niet aangenomen op de gronden die de man noemt.
Daarnaast speelde een procedureel probleem rondom de termijn: het cassatieberoep had uiterlijk op 25 februari 2026 moeten worden ingediend, maar de man dient pas op 26 februari om 02:15 uur een procesinleiding in. Hij verklaarde dat technische problemen met het digitale portaal van de Hoge Raad — dat die avond wegens onderhoud enige uren niet bereikbaar was — hem hadden belet eerder in te dienen. De Procureur-Generaal laat de vraag of het beroep daadwerkelijk te laat was in het midden, omdat de inhoudelijke gebreken al volstaan om het beroep te verwerpen.
De Procureur-Generaal adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO niet-ontvankelijk te verklaren wegens klaarblijkelijk gebrek aan kans van slagen, waarmee het faillissement van de man in stand blijft.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:57, Hoge Raad, 16-01-2026, 24/03757
Hoge Raad · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:GHAMS:2025:2562, Gerechtshof Amsterdam, 30-09-2025, 200.347.914/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:PHR:2025:1036, Parket bij de Hoge Raad, 26-09-2025, 24/03757
Parket bij de Hoge Raad · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:HR:2025:873, Hoge Raad, 06-06-2025, 24/01754
Hoge Raad · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Parket bij de Hoge RaadRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
26/00857
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:352