Juristi.nl
ECLI:NL:PHR:2026:363Strafrecht

Hof wijst tolkhoorverzoek af in bedreigingszaak — PHR:2026:363

bedreiging / ondervragingsrecht getuigen / tolkenkwaliteit in strafproces

Eiser / verzoeker

verdachte

VS

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft conclusie genomen; de Hoge Raad heeft nog geen eindarrest gewezen in deze zaak.

  • Het hof wees het verzoek tot het horen van de tolk af omdat deze had verklaard zich het gesprek niet meer te herinneren en het horen daarom geen toegevoegde waarde zou hebben.
  • Het verzoek tot het horen van de verbalisanten werd afgewezen omdat zij de Arabische taal niet machtig waren en niets konden zeggen over de juistheid van de vertaling.
  • Het hof stelde vast dat de tolk ingeschreven stond als beëdigd tolk voor het Arabisch-Algerijns en Arabisch-Marokkaans, en zag geen reden om aan de vertaling te twijfelen.
  • In cassatie staat centraal of de afwijzing van de getuigenverzoeken voldoet aan de maatstaf van 'manifestly irrelevant or redundant' in het licht van artikel 6 EVRM en de Keskin-rechtspraak.
  • De veroordeling steunde in belangrijke mate op de door de tolk vertaalde verklaring van de verdachte, wat het belang van het ondervragingsrecht in deze zaak vergroot.

Samenvatting

Een man werd door de politierechter in Limburg veroordeeld voor bedreiging, omdat hij zou hebben gezegd: 'Als ik zo naar Marokko moet, dan ga ik haar kop afhakken.' Hij kreeg een gevangenisstraf van één maand en de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf van vier maanden werd gelast. De man ontkende de bedreiging en stelde dat er sprake was van een vertaalfout door de tolk die bij zijn verhoor aanwezig was via de telefoon.

In hoger beroep verzocht de verdediging om de tolk en twee verbalisanten als getuigen te horen. De advocaat betoogde dat de kwaliteit van tolken in het algemeen te wensen overlaat en dat de vertaling in deze zaak mogelijk niet klopte. De raadsheer-commissaris wees de verzoeken al in een vroeg stadium af. Ten aanzien van de tolk werd overwogen dat hij had aangegeven zich het gesprek niet meer te herinneren, en dat hij had vermeld dat het wel vaker voorkomt dat mensen voor wie hij tolkt boos worden als zij een bepaalde boodschap ontvangen. Ten aanzien van de verbalisanten werd geoordeeld dat zij de Arabische taal niet machtig waren en dus niets konden zeggen over de juistheid van de vertaling.

Op de zitting in hoger beroep herhaalde de verdediging haar verzoek. De raadsvrouw, die inviel voor haar collega, wees op recente discussies over tolkenkwaliteit en gaf een voorbeeld uit een andere zaak waarbij een vertaalfout bijna ernstige gevolgen had. Het hof stelde tijdens de zitting vast dat de betrokken tolk ingeschreven stond in het register van beëdigde tolken en vertalers, en dat hij zowel het Arabisch-Algerijns als het Arabisch-Marokkaans beheerste. Het hof zag geen nieuwe argumenten ten opzichte van de eerdere afwijzing door de raadsheer-commissaris en wees het verzoek opnieuw af.

In cassatie klaagt de verdediging over deze afwijzing. De conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad analyseert of het hof de verzoeken op juiste gronden heeft afgewezen, met name in het licht van het ondervragingsrecht zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het gaat daarbij om de vraag of het horen van de tolk en de verbalisanten 'manifestly irrelevant or redundant' kon worden geacht — de maatstaf waaraan een afwijzing van getuigenverzoeken moet voldoen wanneer de verdediging belang bij het horen aannemelijk heeft gemaakt.

De advocaat-generaal concludeert dat de cassatieklachten worden behandeld en beoordeelt of het hof met zijn motivering de lat voor afwijzing op juiste wijze heeft toegepast. De zaak betreft daarmee in de kern de vraag hoever het recht van de verdachte reikt om getuigen te ondervragen wanneer zijn veroordeling in belangrijke mate steunt op een vertaling waarvan de juistheid wordt betwist. De Hoge Raad dient hierover uiteindelijk te oordelen; de conclusie van de advocaat-generaal strekt tot verwerping dan wel gegrondverklaring van het cassatieberoep.

Betrokken advocaten

mr. M.I. L'Ghdas

verdachte

Keizerhof Advocaten, AMSTERDAM

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

7 april 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

24/04463

ECLI

ECLI:NL:PHR:2026:363

Bekijk op rechtspraak.nl