ECLI:NL:RBAMS:2023:7093, Rechtbank Amsterdam, 08-11-2023, C/13/676949 / HA ZA 19-1359 — RBAMS:2023:7093
Samenvatting
Mededingingsrecht. Vrachtwagenkartel. Tweede groep Truckzaken. De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. In het licht van het doeltreffendheidsbeginsel is de uitkomst in het tweede vonnis in de eerste groep Truckzaken (alle vorderingen worden – direct of indirect – via de rechtskeuzemogelijkheid in artikel 6 lid 3 sub b Rome II beheerst door Nederlands recht) wenselijk. Zoals in het tussenvonnis is overwogen en toegelicht, zijn bij dit oordeel echter vraagtekens te zetten. Daarbij speelt een rol dat er pas sprake is van een onrechtmatige daad als er ook schade is geleden. De rechtbank vraagt de Hoge Raad onder meer of een enkelvoudige en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU naar Nederlands recht moet worden gekwalificeerd als een enkelvoudige en voortdurende onrechtmatige gedraging die leidt tot afzonderlijke schadevergoedingsvorderingen op het moment dat de schade wordt geleden, of dat dit resulteert in een enkelvoudige schadevergoedingsvordering per gedupeerde, bestaande uit verschillende schadeposten. Daarmee samenhangend legt de rechtbank aan de Hoge Raad ook de vraag voor wat het beslissende tijdstip is voor de vaststelling van de toepasselijke conflictregel. Verder wil de rechtbank weten welk criterium moet worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 4 lid 1 WCOD en artikel 6 lid 3 sub a Rome II. Moet voor de bepaling van het toepasselijk recht worden aangeknoopt bij het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen, waar de vordering betrekking op heeft, is gevestigd (ook in geval van transportdiensten)? Of moet worden aangeknoopt bij de plaats waar de vrachtwagen of transportdienst is afgenomen. Of is een ander criterium van toepassing? Indien wordt geoordeeld dat de concurrentieverhoudingen ten minste op de gehele interne markt zijn beïnvloed, en er op grond van artikel 4 lid 1 WCOD meerdere rechtsregels van toepassing zouden zijn, kan het toepasselijk recht dan worden vastgesteld op een wijze die overeenkomt met artikel 6 lid 3 sub b Rome II (rechtskeuze voor de lex fori)? Met betrekking tot artikel 6 lid 3 sub b Rome II legt de rechtbank aan de Hoge Raad de vraag voor of een rechtskeuze voor de lex fori kan worden gedaan als is voldaan aan de volgende vereisten: - dat de markt wordt of waarschijnlijk wordt beïnvloed in meer dan één land; - dat een van de verweerders wordt gedaagd voor het gerecht van zijn woonplaats; - dat de markt in de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk wordt beïnvloed door de beperking van de mededinging. Of geldt voor de toepassing van artikel 6 lid 3 sub b Rome II ook het (aanvullende) vereiste dat de gevolgen voor de gedupeerde zich moeten hebben voorgedaan in verschillende landen met inbegrip van (in dit geval) Nederland?
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2025:5535, Rechtbank Amsterdam, 30-07-2025, C/13/705132 / HA ZA 21-687, C/13/712754 / HA ZA 22-71 en C/13/712812 / HA ZA 22-72
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBAMS:2024:4255, Rechtbank Amsterdam, 17-07-2024, C/13/730018 / HA ZA 23-172
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBOVE:2024:3339, Rechtbank Overijssel, 25-06-2024, ak_23_1109
Rechtbank Overijssel · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBAMS:2024:1119, Rechtbank Amsterdam, 28-02-2024, HA ZA 17-1255 e.a.
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
8 november 2023
Instantie
Rechtbank AmsterdamRechtsgebied
Civiel Recht; MededingingsrechtZaaknummer
C/13/676949 / HA ZA 19-1359
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:7093