Rechter wijst verzoek getuigenverhoor tegen Financieel Dagblad af — RBAMS:2024:321
voorlopig getuigenverhoor / journalistieke bronbescherming / onrechtmatige publicatie
Eiser / verzoeker
Ondernemer en grootaandeelhouder B&S Group
Verweerder / gedaagde
Financieel Dagblad B.V., hoofdredacteur en onderzoeksjournalist
Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor is afgewezen wegens onvoldoende belang, en de verzoekende partij is veroordeeld in de proceskosten van €1.510.
- Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor afgewezen omdat de hoofdzaak al voor vonnis stond en getuigenverklaringen niet meer mee konden wegen in de beoordeling
- Rechtbank oordeelt dat verzoeker onvoldoende belang heeft bij het getuigenverhoor (artikel 3:303 BW)
- Rechtbank laat inhoudelijke beslissing over journalistieke bronbescherming achterwege, maar geeft aan dat beroep op verschoningsrecht waarschijnlijk zou slagen
- Vrijwel alle beoogde vragen aan getuigen zouden neerkomen op het achterhalen van de journalistieke bron van het FD
- Verzoeker veroordeeld in proceskosten van €1.510
Samenvatting
Een ondernemer die grootaandeelhouder is van beursgenoteerd bedrijf B&S Group spande een rechtszaak aan tegen het Financieel Dagblad (FD) na twee kritische artikelen die de krant in november 2022 over hem publiceerde. De artikelen gingen over zijn investering in Iraanse marmermijnen, samen met een Iraans-Nederlandse zakenman, en de mogelijke risico's daarvan voor schending van Amerikaanse Iran-sancties. B&S is onder meer leverancier van het Amerikaanse leger.
Naast de hoofdzaak, waarin de ondernemer rectificatie en schadevergoeding eist, vroeg hij de rechtbank ook een voorlopig getuigenverhoor toe te staan. Daarmee wilde hij aantonen dat het FD de journalistieke ethiek had geschonden bij het tot stand komen van de twee artikelen. Zijn vermoeden: de krant had gebruik gemaakt van vertrouwelijke informatie, afkomstig van de Iraans-Nederlandse zakenman, die er belang bij zou hebben gehad om schadelijke informatie over hem te verspreiden — onder meer vanwege een lopende strafzaak.
De ondernemer wilde daarom meerdere getuigen laten horen, waaronder de onderzoeksjournalist van het FD, communicatieadviseurs van de vermeende bron en andere betrokkenen. Hij hoopte zo antwoord te krijgen op vragen als: wie heeft welke documenten aan het FD gegeven, met welk doel, en hoe is de krant precies te werk gegaan bij het verzamelen van informatie?
Het FD voerde verweer op meerdere fronten. De krant stelde dat het verzoek in strijd was met de journalistieke bronbescherming: journalisten hoeven hun bronnen niet prijs te geven, en ook vragen over de wijze van informatiegaring kunnen al leiden tot onthulling van een bron. Bovendien vond het FD het verzoek in strijd met de goede procesorde, gezien het gevorderde stadium van de hoofdzaak.
De rechtbank wees het verzoek af, maar niet op inhoudelijke gronden. De reden was simpeler: een voorlopig getuigenverhoor heeft alleen zin als de getuigenverklaringen nog kunnen meewegen in de lopende rechtszaak. Omdat de hoofdzaak al klaar stond voor vonnis — en dat vonnis op dezelfde dag werd uitgesproken — hadden eventuele getuigenverklaringen geen enkel effect meer gehad op de uitkomst. De ondernemer had daarmee onvoldoende belang bij zijn verzoek.
Over de journalistieke bronbescherming sprak de rechtbank zich niet officieel uit, maar gaf wel een signaal af: vrijwel alle vragen die de ondernemer wilde stellen, zouden in de kern neerkomen op het achterhalen van de bron van het FD. Zelfs vragen over de werkwijze van de journalistiek kunnen al leiden tot onthulling van een bron, aldus de rechtbank. Zij achtte het dan ook aannemelijk dat het FD met succes een beroep op het verschoningsrecht had kunnen doen — wat een getuigenverhoor ook inhoudelijk weinig zinvol zou hebben gemaakt.
De ondernemer werd als verliezende partij veroordeeld in de proceskosten: hij moet het FD ruim €1.500 vergoeden voor salaris van de advocaat en griffierecht.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2024:319, Rechtbank Amsterdam, 24-01-2024, C/13/732333 / HA ZA 23-365
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBAMS:2022:7051, Rechtbank Amsterdam, 29-11-2022, C/13/725124 / KG ZA 22-945
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2022:1215, Rechtbank Den Haag, 16-02-2022, C/09/533129 / HA ZA 17-567
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Intellectueel-eigendomsrecht
ECLI:NL:GHDHA:2022:138, Gerechtshof Den Haag, 08-02-2022, 200.294.034/01
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
24 januari 2024
Instantie
Rechtbank AmsterdamRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
HA RK 23-207
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:321