Rechter wijst vorderingen af in slepend conflict over lastercampagne en €75 miljoen lening — RBAMS:2024:5114
lastercampagne / geschil over terugbetaling lening / vaststellingsovereenkomst
Eiser / verzoeker
in Qatar woonachtige investeerder in Iraanse steengroeven
Verweerder / gedaagde
in Zwitserland woonachtige beursgenoteerde ondernemer
De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen van eiser in conventie af, en wijst ook de tegenvorderingen van gedaagde in reconventie af.
- De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen in conventie én reconventie af bij gebrek aan voldoende grondslag of spoedeisend belang
- De vaststellingsovereenkomst uit 2018 bevat een kwijtingsbeding voor de lastercampagne, wat de vorderingen van eiser bemoeilijkt
- Van de overeengekomen terugbetaling van €75 miljoen is niets terechtgekomen, ook niet de eerste termijn van €15 miljoen
- Het gerechtshof Amsterdam wees eerder het beklag af tegen de sepotbeslissing wegens onvoldoende bewijs en tijdsverloop
- Getuigenverklaringen en geluidsopnames suggereren betrokkenheid van gedaagde bij de lastercampagne, maar dit werd in kort geding onvoldoende aannemelijk geacht voor toewijzing
Samenvatting
Twee zakenlieden, een in Qatar woonachtige investeerder in Iraanse steengroeven en een in Zwitserland woonachtige beursgenoteerde ondernemer, zijn verwikkeld in een langlopend en buitengewoon complex conflict. De kern van de zaak: de ondernemer leende de investeerder ruim 75 miljoen euro om te investeren in Iraanse steengroeven. De samenwerking liep stuk in 2017, waarna een verwoestende lastercampagne op gang kwam en een reeks rechtszaken volgde.
In 2015 gingen de twee mannen een samenwerking aan via een gedeelde advocaat. De investeerder richtte in 2011 een bedrijf op in de natuursteenbranche. De ondernemer leende hem in totaal 75 miljoen euro voor het exploiteren van groeven in Iran. Maar in april 2017 trok de investeerder de stekker eruit. Kort daarna begon een gerichte lastercampagne: via e-mails aan werknemers en publicaties van een fictieve organisatie (GABME) werd de investeerder beschuldigd van fraude, oplichting, witwassen en banden met de corrupte Iraanse overheid.
De investeerder heeft steeds volgehouden dat de ondernemer achter die campagne zat. Als bewijs bracht hij onder meer een geluidsopname in van een gesprek uit februari 2020, waarin een voormalig werknemer verklaart dat hij was ingehuurd om de investeerder 'kapot te maken' en dat de ondernemer hem daartoe persoonlijk opdracht had gegeven. Een getuige die bij de Marechaussee had gewerkt verklaarde bovendien dat hij grote hoeveelheden contant geld had gezien bij de vermeende uitvoerders van de campagne, en dat hem was verteld dat de ondernemer de opdrachtgever was.
Ondertussen liep er ook een FIOD-onderzoek: de Financiële Inlichtingen Eenheid had tientallen meldingen ontvangen van verdachte transacties door de investeerder. De FIOD onderzocht het vermoeden dat de 75 miljoen euro niet in steengroeven was gestoken, maar voor privédoeleinden was gebruikt. De ondernemer deed in 2019 aangifte van oplichting.
In januari 2018 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst, bedoeld om de samenwerking formeel te beëindigen, terugbetaling van de leningen te regelen én de gevolgen van de lastercampagne te beperken. Daarin werd vastgelegd dat de investeerder de ondernemer voor de lastercampagne kwijting verleende — hoewel de ondernemer iedere betrokkenheid ontkende. Van terugbetaling is echter niets terechtgekomen: ook de eerste termijn van 15 miljoen euro die in juni 2020 betaald had moeten worden, bleef uit.
De investeerder deed aangifte van laster, bedreiging, afpersing en deelname aan een criminele organisatie. Het Openbaar Ministerie zag af van vervolging. Het gerechtshof Amsterdam wees het beklag hierover af: er waren te weinig aanknopingspunten voor een strafrechtelijk onderzoek dat voldoende bewijs zou opleveren, ook gezien het tijdsverloop.
In dit kort geding vorderde de investeerder een reeks maatregelen, terwijl de ondernemer in reconventie tegenvorderingen instelde. De voorzieningenrechter wees de vorderingen van de investeerder af in conventie. Ook de tegenvorderingen van de ondernemer werden afgewezen. De rechter oordeelde dat in dit stadium en in het kader van een kort geding geen grond bestond voor toewijzing van de gevorderde voorzieningen, mede gelet op de complexiteit van de zaak, de al verleende kwijting in de vaststellingsovereenkomst en het ontbreken van voldoende spoedeisend belang dan wel onvoldoende aannemelijkheid van de grondslag. Alle vorderingen, zowel in conventie als in reconventie, werden dus afgewezen.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHAMS:2025:3372, Gerechtshof Amsterdam, 16-12-2025, 200.361.543
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5657, Rechtbank Noord-Nederland, 26-11-2025, C/17/190788 / HA ZA 23-172
Rechtbank Noord-Nederland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBAMS:2025:10357, Rechtbank Amsterdam, 26-11-2025, C/13/753717 / HA ZA 24-746
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:9178, Rechtbank Amsterdam, 19-11-2025, C/13/756890 / HA ZA 24-1046
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
14 augustus 2024
Instantie
Rechtbank AmsterdamRechtsgebied
Civiel Recht; VerbintenissenrechtZaaknummer
C/13/751762 / KG ZA 24-471
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:5114