Juristi.nl
ECLI:NL:RBAMS:2025:8192Civiel Recht

ECLI:NL:RBAMS:2025:8192, Rechtbank Amsterdam, 28-10-2025, 200.359.370 — RBAMS:2025:8192

Samenvatting

Hoger beroep tegen beslissing rechtbank het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling te bepalen op datum vonnis (11 september 2025). Dit beroep slaagt. Uit de door de bewindvoerder overgelegde berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb) volgt dat het inkomen van schuldenaar sedert de dag dat hij zich wendde tot zijn advocaat (30 oktober 2024) onder diens vtlb ligt, met uitzondering van de maanden januari 2025 en april 2025 die bij het bepalen van het alternatieve aanvangsmoment om die reden buiten beschouwing blijven. Het hof bepaalt het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 349a lid 1 Fw op 30 december 2024. De opvatting van de bewindvoerder die erop neerkomt dat ook bij de bepaling van het alternatieve aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling de goeder trouw-toets van artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw geldt, vindt geen steun in het recht. Noch de tekst van artikel 349a lid 1 Fw noch de Parlementaire Geschiedenis van deze bepaling en de uitleg daarvan door de Hoge Raad, biedt enig aanknopingspunt voor toepassing of doorwerking van de te goeder trouw-eis bij de bepaling van het alternatieve aanvangsmoment. Daarbij komt dat de bewindvoerder met haar opvatting het door de wetgever aangebrachte onderscheid tussen enerzijds de beslissing tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw, en de beslissing tot bepaling van het aanvangsmoment ex artikel 349a lid 1 Fw anderzijds miskent, en dat het bepalen van het aanvangsmoment eerst aan de orde komt nadat de beslissing tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling met toepassing van artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw is genomen. De omstandigheid dat - naar de bewindvoerder heeft aangevoerd - dit wettelijk systeem tot gevolg heeft dat het alternatieve aanvangsmoment kan worden bepaald op een datum waarop de hiervoor bedoelde termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw nog niet is verstreken, doet daar niet aan af. Ook bij de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw, waarbij sprake is van een of meer schulden ten aanzien waarvan de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest in de drie jaar voorafgaande aan de indiening van het verzoek tot toelating, kan het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling worden vervroegd op grond van artikel 349a lid 1 Fw (Hof Den Haag 23 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1978).

Betrokken advocaten

mr. J.G. van der Zwan

appellant

SWDV Advocaten, HOOFDDORP

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken