Rechter handhaaft boete voor ongeoorloofde omzetting woonruimte — RBAMS:2026:1924
bestuursrecht / handhaving / herziening boete omzetting woonruimte zonder vergunning
Eiser / verzoeker
eiseres (naam geanonimiseerd), wonend te [plaats]
Verweerder / gedaagde
college van burgemeester en wethouders van gemeente Amsterdam
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en oordeelt dat het college het verzoek om herziening van de boete terecht heeft afgewezen.
- Een rechterlijke uitspraak geldt niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Awb
- Het onverbindend verklaren van de boetetabel voor vakantieverhuur door de Afdeling betekent niet dat eerder opgelegde en onherroepelijke boetes worden ingetrokken
- De eerder gematigde boete van 2.000 euro was gebaseerd op financiële draagkracht, niet op de hoogte van de oorspronkelijke boete
- Ook op basis van de nieuwe boetetabellen zou de boete niet lager dan 2.000 euro zijn geweest
- Van evidente onredelijkheid om niet terug te komen op het besluit is geen sprake
Samenvatting
Een vrouw uit Amsterdam probeerde via de rechter de boete die haar in 2019 was opgelegd te laten herzien. Die boete van oorspronkelijk 6.000 euro was haar gegeven omdat zij zonder vergunning een zelfstandige woning had omgezet in een kamer- of onzelfstandige woonruimte. Na eerdere juridische procedures was de boete al verlaagd naar 2.000 euro door de rechtbank in 2023. Eiseres had toen geen hoger beroep ingesteld.
In augustus 2024 diende zij een verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om die boete alsnog te herzien. Zij deed daarbij een beroep op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die de boetetabel voor vakantieverhuur onverbindend had verklaard. Volgens eiseres zou die uitspraak betekenen dat haar boete volledig ingetrokken moest worden.
Het college weigerde het verzoek. Volgens de gemeente waren er geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding gaven om de zaak opnieuw te beoordelen. Eiseres ging in bezwaar en vervolgens in beroep, maar de rechtbank Amsterdam stelt haar op alle punten in het ongelijk.
De rechtbank legt uit dat een rechterlijke uitspraak juridisch gezien niet geldt als een 'nieuw feit of nieuwe omstandigheid' in de zin van de wet. Dat de Afdeling een boetetabel onverbindend heeft verklaard, betekent niet dat een eerder opgelegde en al onherroepelijk geworden boete automatisch van tafel gaat. Bovendien was de boete al eerder door de rechtbank gematigd, en die matiging was destijds gebaseerd op de financiële draagkracht van eiseres, niet op de hoogte van de oorspronkelijke boete.
Daarnaast heeft de gemeente toegelicht dat ook op basis van de nieuwe, aangepaste boetetabellen de boete niet lager dan 2.000 euro zou zijn uitgevallen. Van een evidente onredelijkheid, de enige andere grond waarop herziening mogelijk zou zijn, is dan ook geen sprake, aldus de rechtbank. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt noch haar griffierecht terug, noch een vergoeding van proceskosten.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2026:4, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13-01-2026, 24/91
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6389, Raad van State, 24-12-2025, 202400094/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:6914, Rechtbank Midden-Nederland, 24-12-2025, UTR 24/4299
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:5962, Raad van State, 10-12-2025, 202307173/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
17 februari 2026
Instantie
Rechtbank AmsterdamRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
AMS 25/3338
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:1924