Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2015:6665Bestuursrecht

ECLI:NL:RBDHA:2015:6665, Rechtbank Den Haag, 22-05-2015, awb 14/25505, 26668, 26670, 25504, 26745, 29136 en 27494 — RBDHA:2015:6665

Samenvatting

Eisers hebben in procedures waarin verweerder het kennisgevingsformulier hanteert aan verweerder per brief uitdrukkelijk verzocht om verlening van een verblijfsvergunning. Deze brieven voldoen aan de in artikel 1:3, derde lid, van de Awb opgenomen definitie van een aanvraag. Het zijn immers verzoeken van belanghebbenden om een besluit te nemen. Artikel 1:3, derde lid, van de Awb is een begripsbepaling en hierdoor aan te merken als een regel van dwingend recht. Dat betekent dat slechts bij formele wet kan worden afgeweken van dit artikel. Bovendien dient een dergelijke uitzondering uitdrukkelijk te worden opgenomen. In lagere regelgeving kan slechts van een bepaling van dwingend recht worden afgeweken als de formele wetgever de lagere wetgever op een dergelijke wijze heeft gemachtigd om op een concreet punt van de Awb af te wijken. Anders dan door verweerder is betoogd strekt artikel 24, eerste lid, van de Vw 2000 er niet uitdrukkelijk toe om een bevoegdheid te verlenen aan de lagere wetgever om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wat al dan niet kan worden gekwalificeerd als een aanvraag. De door verweerder voorgestane ruimere lezing van dit artikel, verhoudt zich niet met het hiervoor weergegeven uitgangspunt dat slechts van dwingend recht kan worden afgeweken in lagere regelgeving als de formele wetgever daartoe een concreet toegespitste machtiging heeft verleend. Artikel 24 van de Vw 2000 kan dan ook niet worden aangemerkt als de grondslag in de formele wet voor de door verweerder voorgestane uitzondering op artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dat sprake zou zijn van een andere grondslag in de Vw 2000 voor deze uitzondering is gesteld noch gebleken. De conclusie is dat artikel 1:3, derde lid, van de Awb in de onderhavige gevallen onverkort geldt en dat artikel 3.99a van het Vb 2000 daarop geen uitzondering vormt. De rechtbank komt tot een soortgelijk oordeel met betrekking tot een verzoek om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw 2000. Ook hier is sprake van een aanvraag nu artikel 66 van de Vw 2000 niet uitdrukkelijk een bevoegdheid verleent aan de lagere wetgever om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wat al dan niet kan worden gekwalificeerd als een aanvraag.

Betrokken advocaten

mr. G.P. Dayala

eiser

Advocatenkantoor Mr Dr G.P. Dayala, AMSTERDAM

mr. A.M.J.M. Louwerse

eiser

Anna Louwerse Advocatuur, PURMEREND

mr. D.P.A. van Laarhoven

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

22 mei 2015

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

awb 14/25505, 26668, 26670, 25504, 26745, 29136 en 27494

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2015:6665

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBDHA:2026:7643
Rechtbank Den Haag·2 april 2026
Bestuursrecht
Wrakingsverzoek afgewezen: rechter mocht kritische vragen stellen
Rechtbank Den Haag·30 maart 2026
Bestuursrecht
RBDHA:2026:6403
Rechtbank Den Haag·25 maart 2026
Bestuursrecht
RBDHA:2026:6003
Rechtbank Den Haag·24 maart 2026
Bestuursrecht
RBDHA:2026:6404
Rechtbank Den Haag·18 maart 2026
Bestuursrecht