Tatoeëerder krijgt ongelijk over laag btw-tarief op ontwerpen — RBDHA:2015:8399
omzetbelasting / btw-tarief kunstvoorwerpen
Eiser / verzoeker
Ontwerper/tatoeëerder (naam niet vermeld)
Verweerder / gedaagde
Belastingdienst (verweerder P)
Beroep ongegrond verklaard; naheffingsaanslag omzetbelasting van €2.085 en verzuimboete van €208 blijven in stand.
- Tatoeageontwerpen kwalificeren niet als kunstvoorwerpen in de zin van Tabel I, post a.29 Wet OB, zodat het verlaagde btw-tarief niet van toepassing is.
- Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn omzet vanaf Q2 2013 voor het overgrote deel bestond uit met laag tarief belaste prestaties.
- Voor een verzuimboete op grond van artikel 67c AWR is geen opzet vereist; afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt zijn niet gebleken.
- Het standpunt dat het aanbrengen van een tatoeage op de huid als kunstvoorwerp kan worden aangemerkt, is ter zitting door eiser zelf ingetrokken.
Samenvatting
Een ontwerper en tatoeëerder probeerde zijn btw-afdracht te verlagen door de verkoop van zijn tatoeageontwerpen aan te merken als de levering van kunstvoorwerpen. Kunstvoorwerpen vallen onder het verlaagde btw-tarief van 6%, terwijl voor reguliere diensten het algemene tarief van 21% geldt. Vanaf het tweede kwartaal van 2013 paste hij dit lagere tarief toe in zijn btw-aangiften, maar de Belastingdienst legde een naheffingsaanslag op.
De kern van het geschil draaide om de vraag of de tekeningen en ontwerpen die de tatoeëerder maakte kwalificeren als 'kunstvoorwerpen' in de zin van de belastingwet. Daarvoor gelden strikte voorwaarden: de wet omschrijft kunstvoorwerpen als schilderijen, collages, tekeningen en originele grafische werken die geheel van de hand van de kunstenaar zijn, met uitzondering van onder meer tekeningen voor commerciële doeleinden.
Ter zitting trok de tatoeëerder zijn eerder ingenomen standpunt in dat ook het aanbrengen van een tatoeage op de huid als kunstvoorwerp zou moeten worden aangemerkt. Partijen waren het er vervolgens over eens dat het ontwerpen én aanbrengen van een tatoeage gewoon onder het hoge btw-tarief valt. Wat overbleef was de vraag of zijn overige ontwerpen — unieke tekeningen die door andere tatoeëerders worden aangebracht of door klanten aan de muur worden gehangen — wél onder het lage tarief konden vallen.
De rechtbank oordeelde dat de tatoeëerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn werkzaamheden vanaf het tweede kwartaal van 2013 voor het overgrote deel bestonden uit het maken van dergelijke met laag tarief belaste tekeningen. Hij stelde dit voor het eerst ter zitting, zonder overtuigende onderbouwing. De overgelegde stukken boden evenmin voldoende bewijs.
Naast de naheffingsaanslag van €2.085 had de Belastingdienst ook een verzuimboete van €208 opgelegd — 10% van het nageheven bedrag. De tatoeëerder voerde aan dat hem geen opzet kon worden verweten. De rechtbank wees erop dat voor een verzuimboete geen opzet vereist is; voldoende is dat er te weinig belasting is betaald. Van een situatie waarbij de man werkelijk geen enkel verwijt treft, of van een standpunt dat juridisch verdedigbaar was, was niet gebleken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet zowel de naheffingsaanslag van €2.085 als de boete van €208 in stand.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:279, Hoge Raad, 20-02-2026, 23/00082
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:RBDHA:2018:6386, Rechtbank Den Haag, 30-05-2018, AWB - 17 _ 8588
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2016:13092, Rechtbank Den Haag, 20-10-2016, AWB - 16 _ 3629
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2016:9682, Rechtbank Den Haag, 25-08-2016, AWB - 15 _ 8042
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 juni 2015
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
AWB - 14 _ 9802
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2015:8399