Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2020:10146Civiel Recht

ECLI:NL:RBDHA:2020:10146, Rechtbank Den Haag, 07-09-2020, C/09/596060 / KG RK 20-897 — RBDHA:2020:10146

Samenvatting

Afwijzing wrakingsverzoek. De kernvraag in het geschil is, voor zover voor het wrakingsverzoek relevant, of een e-mail van belanghebbende, die enkele weken na de ondertekening van de agentuurovereenkomst naar directeur Roozen van verzoeker is gestuurd, beschouwd moet worden als bijlage B. De klachten van verzoeker betreffen de manier waarop de raadsman tijdens zijn pleidooi door de rechter is onderbroken. Deze onderbrekingen waren naar de beleving van verzoeker aan te merken als opmerkingen en oordelen en niet als (kritische) vragen. De wrakingskamer stelt voorop dat het tijdens een inlichtingencomparitie heel gebruikelijk is om kritische vragen te stellen of kritische opmerkingen te maken, teneinde inlichtingen te verkrijgen. Als er kritische opmerkingen worden gemaakt of vragen worden gesteld door een rechter, betekent dit (zeker in het kader van een inlichtingencomparitie) niet dat dit eindoordelen zijn. Gelet op het feit dat de comparitie nog niet ten einde was, mocht verzoeker er in beginsel dan ook niet vanuit gaan dat deze opmerkingen waren bedoeld als (eind)oordelen. Dat er desalniettemin sprake zou zijn geweest van eindoordelen, is de wrakingskamer ook overigens niet gebleken. Uit het proces-verbaal van de zitting, zelfs als wordt uitgegaan van de door de raadsman van verzoeker geredigeerde versie van 20 augustus 2020, blijkt voldoende duidelijk dat de onderbrekingen van de rechter bedoeld waren als (kritische) vragen of opmerkingen, waarbij werd uitgenodigd tot een reactie. De wrakingskamer wijst op hetgeen de rechter antwoordde op de opmerking van mr Pals namens verzoeker dat hij (wederom) een mening hoorde en zich afvroeg of hij zijn verhaal wel moest afmaken. De rechter antwoordde dat dit (de wrakingskamer begrijpt: meningen) niet het geval was en hij slechts zaken voorhield. Daarmee was duidelijk dat de rechter een reactie uitlokte en geen oordeel gaf. De rechter heeft na de wraking maar nog op de comparitie ook met zoveel woorden gezegd dat hij niet bedoeld heeft (eind)oordelen te geven. De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden geven naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook geen blijk van vooringenomenheid dan wel van de objectieve schijn van vooringenomenheid. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

Betrokken advocaten

mr. J.L. Pit

verzoeker

Advocatenkantoor Pit, WASSENAAR

mr. J.M. Pals

verzoeker

Van Boven & Van der Bruggen Advocaten, ROERMOND

mr. J.L.M. Luiten

verzoeker

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

7 september 2020

Rechtsgebied

Civiel Recht

Zaaknummer

C/09/596060 / KG RK 20-897

Procedure

Wraking

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2020:10146

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Wrakingsverzoek vrouw tegen kantonrechter afgewezen
Rechtbank Den Haag·30 maart 2026
Civiel Recht
Rechter gewraakt na bevooroordeelde brief in huurgeschil
Rechtbank Den Haag·30 maart 2026
Civiel Recht
RBDHA:2026:6622
Rechtbank Den Haag·25 maart 2026
Civiel Recht
RBDHA:2026:6492
Rechtbank Den Haag·25 maart 2026
Civiel Recht
RBDHA:2026:6640
Rechtbank Den Haag·25 maart 2026
Civiel Recht